Hoofdstuk 1
Uitgangspunten
Hier vind je meer informatie over de uitgangspunten van Portaal.
Je hebt kunnen lezen dat elk uitgangspunt in feite een soort schaal is met twee uitersten en een balanspunt in het midden. Geef voor elk uitgangspunt aan of dit in jouw taalonderwijs in balans is, of je het te weinig aanwezig vindt of te veel. Daag jezelf uit om telkens een eerlijke keuze te maken. Onderbouw vervolgens elke keuze met voorbeelden.
| Te weinig | Balans | Te veel | |
|---|---|---|---|
| 1. Goed taalonderwijs is voor iedereen en kindgericht | Bepaalde groepen krijgen aanzienlijk meer aandacht dan andere. Er is vooral aandacht voor tekortkomingen van kinderen | Alle kinderen krijgen evenveel taalonderwijs Er is aandacht voor wat kinderen al wel kunnen en hoe hierop voortgeborduurd kan worden | Elk kind heeft een eigen, uniek onderwijsprogramma |
2. Goed taalonderwijs sprankelt | Kinderen ervaren al het taalonderwijs als ‘saai’ | De taallessen zijn interessant, uitnodigend, afwisselend, attractief | De taallessen zijn vooral leuk en voorzien van zoveel franje dat de inhoud verdwijnt |
3. Goed taalonderwijs is doel én middel | Taal is vooral doel Taal wordt geïsoleerd bestudeerd en staat op zichzelf | Taal is middel én doel: kinderen bestuderen de taal én leren de taal gebruiken in alledaagse en schoolse situaties | Taal is vooral middel om allerlei andere doelen te bereiken en is zelf geen onderwerp meer |
4. Goed taalonderwijs is een balans van analyse en synthese | Taal is eenzijdig analytisch: alles wordt (verder) opgedeeld in stukjes waardoor kinderen geen oog meer hebben voor het groter geheel | Er is een balans tussen analyse en synthese: soms is er meer aandacht voor analyse, soms juist meer voor de synthese | Taal is eenzijdig holistisch: alles wordt vanuit het totaal bekeken waardoor kinderen geen oog meer hebben voor de bouwstenen |
5. Goed taalonderwijs is doelgericht | Er ligt vooral nadruk op de activiteiten; kinderen weten niet welke doelen ze hiermee bereiken | Leerkracht én kinderen zijn zich bewust van de doelen en maken op basis hiervan bewuste keuzes | De neiging bestaat om overal een taaldoel van te maken, met als gevolg lange lijsten met doelen waardoor kinderen en leerkrachten de focus verliezen |
6. Goed taalonderwijs is betekenisvol en functioneel | Het taalonderwijs spreekt de kinderen niet aan en/of de kinderen krijgen te maken met activiteiten en situaties die in de maatschappij niet voorkomen | Het taalonderwijs is betekenisvol en functioneel voor kinderen | Door de krampachtige pogingen om alles betekenisvol te maken, worden bepaalde leeractiviteiten uitgesloten |
7. Goed taalonderwijs is taalontwikkelend | Taalonderwijs is vooral toetsend: het controleert wat kinderen al kunnen en kennen | Taalonderwijs is ontwikkelend en vindt plaats in de zone van naaste ontwikkeling | Taalonderwijs is vooral experimenterend onder het mom van ‘alles is goed, zinvol’, waardoor taalonderwijs ‘als een schot hagel’ op kinderen afkomt |
| 8. Goed taalonderwijs is communicatieonderwijs | Er is eenzijdig aandacht voor het product en/of nauwelijks aandacht voor de effecten | De leerkracht heeft bij alle taalvaardigheden voortdurend aandacht voor bedoeling, proces en effect | Er is eenzijdig aandacht voor het proces, waardoor het uiteindelijke product er niet meer toe lijkt te doen |
| 9. Goed taalonderwijs is interactief | Er is te weinig taalruimte voor kinderen en/of nauwelijks feedback op hun taalgebruik | Er is een goede balans tussen taalaanbod van de leerkracht en doelgerichte taalruimte voor de kinderen met feedback op hun taalgebruik | Er is veel interactie, maar deze is weinig (doel)gericht |