Portaal

Hoofdstuk 5

De praktijkschets

Hier vind je een bespreking van de casus Hoed op voor Rembrandt uit Portaal en een bovenbouwcasus. We laten het verband zien met geletterheidsontwikkeling in het algemeen en met lezen in het bijzonder.

Bespreking casus Hoed op voor Rembrandt

De leerlingen gebruiken veel mondelinge taal: vragen stellen, leervragen stellen, bespreken van de foto’s als voorbereiding op het schrijven van een eigen tekst, bespreken van de geschreven teksten, praten over de schilderijen in het Rijksmuseum en uitleg geven tijdens de expositie op school.

Mondelinge taalvaardigheid gaat vooraf aan schriftelijke taalvaardigheid en helpt leerlingen om hun gedachten onder woorden te brengen, om te bedenken wat ze graag willen weten. Hierdoor wordt het minder lastig om teksten te gaan lezen en te gaan schrijven. Ze hebben immers al één of meerdere leesdoelen besproken (wat willen ze te weten komen door het lezen van teksten?) en ze hebben al aan elkaar uitgelegd wat ze in hun tekst willen schrijven.

Door met elkaar te praten, raken leerlingen ook betrokken bij het onderwerp, breiden ze hun kennis van de wereld uit en vergroten hun woordenschat. Ze zijn bereid om teksten te gaan lezen waarmee ze hun leervragen kunnen beantwoorden: wie was Rembrandt? Wat of wie heeft hij geschilderd? In welke tijd leefde hij? Hoe leefden mensen toen?

Daarnaast lezen ze teksten die ze zelf geschreven hebben over de persoon die ze uitgebeeld hebben tijdens de fotoshoot. Ook schrijven ze functionele teksten, zoals een uitnodigingsposter en toegangskaartjes voor de expositie.

Deze casus laat zien dat het goed mogelijk is om rondom een aansprekend onderwerp mondelinge en schriftelijke taalvaardigheden in samenhang te ontwikkelen.

Casus bovenbouw

Naar aanleiding van een bericht dat de wolf terug zou zijn in Nederland gaat groep 8 van leerkracht Richard zich verdiepen in dit fascinerende beest. Er worden sprookjes gelezen waarin de wolf voorkomt en er wordt onderzocht welke andere kinder- en jeugdboeken er zijn met een wolf als personage. Abir, een van de leerlingen, ontdekt op internet afbeeldingen van wolven in sprookjes en ziet dat ze soms wel en soms geen kleren aanhebben. Ze denkt dat wolven met kleren minder eng zijn voor kinderen. Met hulp van Richard zet ze een onderzoekje op en vraagt leerlingen uit groep 3 welke wolven ze het engst vinden. Dirk heeft thuis verteld dat ze over wolven werken en komt in de klas met een boek van zijn moeder: Miyax, de wolven en de jager van Jean Craighead George over een meisje dat verdwaalt op de toendra van Alaska en uit zelfbehoud vriendschap sluit met een troep wolven. Richard besluit elke dag een stukje uit het boek voor te lezen. Een paar leerlingen lezen voor aan de kleuters uit de serie Wolf en Hond van Sylvia vanden Heede en Marije Tolman.

Bij aardrijkskunde brengen de leerlingen het leefgebied van de wolf in kaart, bij natuur wordt gekeken naar kenmerken van wolven, hoe ze leven en wat ze eten. Richard laat foto’s zien van het beeld van Romulus en Remus en de wolvin en vertelt het verhaal van de stichters van Rome. De leerlingen gaan op zoek naar andere oude legendes en mythes over wolven. Ze onderzoeken de betekenissen van uitdrukkingen als ‘voor de wolven gooien’, ‘een wolf in schaapskleren’ en ‘homo homini lupus’. Als de leerlingen echte wolvenexperts zijn geworden, volgt er een debat over de vraag of mensen bang moeten zijn voor wolven of niet.

Als een van de leerlingen oppert om de jaarlijkse musical te vervangen door een toneelstuk over wolven gaat de hele klas aan de slag en maken ze een voorstelling waarbij sprookjes vanuit het perspectief van de wolf worden herverteld.

Leerkracht Richard gebruikt hier de actualiteit om thematisch te werken. Hij betrekt niet alleen taaldoelen in zijn activiteiten, maar ook zaakvakdoelen. De leerlingen lezen veel verschillende soorten teksten over de wolf: kinderboeken en informatieve teksten maar ook opiniërende teksten om het debat goed te kunnen voeren.

Zaakvakken als aardrijkskunde, natuur en geschiedenis komen op een vanzelfsprekende manier aan de orde. De literaire ontwikkeling van kinderen wordt gestimuleerd door het lezen en praten over oude verhalen. Door te praten over uitdrukkingen en uit te zoeken waar deze vandaan komen, zijn de leerlingen bezig met taalbeschouwing. Lezen en schrijven én creativiteit komen samen in het bedenken van het toneelstuk.

Deze casus laat zien dat het goed mogelijk is om rondom een actueel thema taal en andere vakken te integreren.