Hoofdstuk 8
Reflecteren over woorden
Wat gebeurt er eigenlijk als je on- voor een woord zet (eerlijk-oneerlijk, belangrijk-onbelangrijk). Hier vind je voorbeelden van lesideeën die je kunt gebruiken om te reflecteren over taal.
Verkleinwoorden
Een huisje is een klein huis, maar een tukje doen wil niet zeggen dat je een kleine tuk doet. Soms worden betekenissen van woorden anders door ze te verkleinen: een blondje heeft niet zo’n positieve bijklank. Praat met elkaar over verkleinwoorden. Verzamel allerlei verkleinwoordjes en probeer te ontdekken hoe het in elkaar zit.
Spreekwoorden en uitdrukkingen
Spreekwoorden en uitdrukkingen komen in veel taalmethoden aan bod. Hoe kijk jij daar tegenaan? Vormen ze een cultuurgoed of is het achterhaald om er aandacht aan te besteden? Welke spreekwoorden ken je eigenlijk over lichaamsdelen en hoe gebruik je ze in de praktijk van alledag?
Het woordje ‘op’
Lees de tekst ‘Op de voorrangsweg’ van de verkeersles uit Straatwerk (p. 33-34) en onderstreep overal het woordje ‘op’. Welke verschillende betekenissen heeft ‘op’ hier? Welke conclusie trek je hieruit voor leerlingen die Nederlands als tweede taal moeten leren? [Link bij dit voorbeeld is half juni beschikbaar]
Betekenisverschillen bij eenzelfde woord
- Wat is het verschil in betekenis van ‘sappig’ in een sappige sinaasappel en in een sappig verhaal?
- Bedenk tien andere woorden die in een verschillende context een verschillende betekenis hebben.
Literatuur
Vereniging Veilig Verkeer Nederland (1989). Straatwerk. Verkeersmethode voor de basisschool, Leerlingenboek groep 5. Hilversum: Vereniging Veilig Verkeer Nederland.