Portaal

Hoofdstuk 8

Voorbeeldles

Hier vind je een opzet voor een woordenschatles (Kikker en de vreemdeling) en een reflectie op deze les.

Woordenschatonderwijs bij Kikker en de vreemdeling van Max Velthuis

Voorbewerken

Je legt vijf woorden uit die belangrijk zijn in het boek:

  • vreemdeling
  • avonturen
  • reizen
  • anders
  • afscheid

Je kunt de woorden ook proberen uit te beelden. Zo blijft het begrip niet alleen abstract, maar wordt het ook concreet gemaakt. En je kunt ze ook uitbreiden door woorden die ‘erbij horen’ te noemen. Bij reizen denk je bijvoorbeeld aan: vliegtuig, auto, fiets, bus, ver weg, koffers. Doordat je deze uitbreidingswoorden te noemt, kunnen de leerlingen hun ‘woordenschatweb’ uitbreiden. 

Semantiseren

Je leest het prentenboek voor en je staat even extra stil bij de passages waarin de vijf woorden voorkomen. Na afloop kun je het met de kinderen hebben over wat Varkentje en Haas eerst dachten van Rat en wat ze later dachten (vooroordelen).

Consolideren

Je neemt na het boek een groepje van ongeveer zes kinderen mee aan een tafel. Je hebt een memoryspel gemaakt van de plaatjes uit het boek. Alle plaatjes zijn doormidden geknipt en moeten bij elkaar gezocht worden. Als er twee kanten zijn gevonden van een plaatje, bespreek je met het groepje kinderen wat er gebeurt op dat plaatje:

  • Wat zijn ze aan het doen?
  • Wat zie je allemaal?

Als alle plaatjes bij elkaar zijn gezocht, kunnen ze ook nog in de juiste volgorde van het verhaal gelegd worden. Je kunt de kinderen dan het verhaal aan de hand van de plaatjes laten navertellen.

Een ander groepje kinderen kan een tekening maken of een schilderij over het boek. Deze kinderen kunnen daarna in de kring vertellen wat ze hebben getekend en geschilderd (mondelinge vaardigheid).

Ook kunnen kinderen woorden stempelen die in het boek zijn voorgekomen, zoals:

* kikker * haas * rat * huis * varkentje *

Controleren

Nu leg je als eerste alle plaatjes van het memoryspel goed neer in de kring. Je laat twee kinderen de plaatjes op volgorde leggen. Als ze er niet uitkomen, mogen ze een ander kind in de kring om hulp vragen. Je laat twee andere kinderen het verhaal kort navertellen aan de hand van de plaatjes. Dit doe je een aantal keer, met telkens andere tweetallen. Zolang de kinderen zélf willen, kun je door blijven gaan. Daarna kun je de vijf woorden die je in het begin met de kinderen hebt besproken herhalen om te controleren wat de kinderen er nog van weten. Je kunt het ze laten uitbeelden, uitleggen of laten opnoemen wat er mee te maken heeft (de drie uitjes).

Bron: www.digischool.nl (niet meer online).

In het voorbeeld zien we aspecten terug die in dit hoofdstuk aan de orde zijn geweest met betrekking tot woordenschat. We bespreken hier achtereenvolgens wat we terugzien en wat er ontbreekt.

Aspecten die we terugzien

In de les komt vooral het leren van woorden aan de orde, waarbij de leerkracht heeft gekozen voor intentioneel woordenschatonderwijs. Het uitbreiden van de woordenschat is het hoofddoel van de les. Het nevendoel is het onderwerp ‘anders zijn’ bespreekbaar te maken.

De leerkracht heeft een selectie gemaakt van aan te leren woorden. Daarbij kiest hij voor uitbreiden van de woordenschat, maar bij het woord ‘reizen’ ook voor verdieping van het begrip door daarbij relevante woorden te selecteren die niet in het prentenboek voorkomen. Daarmee plaatst de leerkracht de woorden in een woordweb en geeft hij leerlingen gelegenheid om hun mentale lexicon uit te breiden. Naast concrete inhoudswoorden (vreemdeling en reizen) heeft hij ook abstracte inhoudswoorden (avonturen, anders, afscheid) geselecteerd.

In de les wordt duidelijk gewerkt met de vier stappen in de woordenschatdidactiek (viertakt), en bij de fase semantiseren is het instrument van de uitjes ingezet om de betekenis van woorden duidelijk te maken.

Alle activiteiten krijgen vorm in een rijke leeromgeving met veel concrete materialen voor de leerlingen. De leerlingen krijgen volop kans om in gesprek te gaan met elkaar en met de leraar (interactie). Het prentenboek helpt om het onderwerp van de les (‘anders zijn’) concreet te maken en brengt het dichter bij de belevingswereld van de leerlingen.

Suggesties

Deze les en dit prentenboek bieden veel mogelijkheden om ook andere aspecten van de woordenschat aan te bieden, met name het leren over woorden en woordleerstrategieën.

Een aantal daarvan is vooral geschikt voor oudere leerlingen, en minder voor kleuters.

Bij het leren over woorden kan aandacht besteed worden aan de vorm van woorden.

  • Hoe zit het woord ‘onverstoorbaar’ in elkaar?
  • ‘Daar ging hij. Die vieze, smerige, aardige, brutale, behulpzame, handige rat. Ze keken hem na tot hij achter de heuvels verdwenen was.’ Aan de hand van de bijvoeglijke naamwoorden kun je het hele verhaal navertellen. Een les over bijvoeglijke naamwoorden krijgt zo een betekenisvolle inhoud.

Maar ook aan de betekenis.

  • Wat betekent ‘vieze rat’? (letterlijke en figuurlijke betekenis van het woord ‘vies’).
  • De verschillende betekenissen van het woord ‘verslagen’ in ‘Kikker was verslagen’.
  • Nederlands idioom:
    • het vuur te lijf gaan;
    • als een snoek in het water springen;
    • diep onder de indruk zijn.
  • De selectie van woorden zou uitgebreid kunnen worden met het functiewoord ‘maar’. In de tekst komt het woord op verschillende plekken voor. Het woord is bovendien betekenisvol voor het thema ‘anders zijn’: Rat is anders, maar....
    • Pas maar op ...
    • Maar dat was niet waar.
    • Maar waarom dan niet?
    • Maar Rat was er al.
    • Maar geen nood.
    • Maar de bank stond er nog.

In een hoger leerjaar kun je laten zien dat voor jonge kinderen zinnen niet aan elkaar gekoppeld worden met voegwoorden en dat we dit dan ‘enkelvoudige zinnen’ noemen en dat dit bij moeilijker teksten gebeurt wel gebeurt en dat we dan spreken van ‘samengestelde zinnen’.

Ten slotte zou het boek een handvat kunnen zijn om met leerlingen een woordleerstrategie te gebruiken.

  • Laat leerlingen in het boek vijf woorden opzoeken waarvan ze de betekenis niet of maar een beetje kennen. In tweetallen zoeken ze de woorden op in een woordenboek. Als het woord dan nog niet duidelijk is, mogen ze anderen vragen of die weten wat het betekent en of ze de betekenis willen uitleggen (leren hoe je de betekenis van een woord kunt achterhalen).
  • In hun woordenschrift schrijven ze het woord op, met daarbij een zin waarin het woord zodanig voorkomt dat de betekenis eruit blijkt. Een tekening kan ondersteuning geven bij het onthouden van het woord (leren hoe je een woord kunt onthouden).
  • De klas kiest samen de beste omschrijving en zet die op het internet in Mijn eigen woordenboek (zie paragraaf 8.6.3). De leerlingen zoeken in een Engels woordenboek het Engelse woord erbij en illustreren het woord met een illustratie.