Word list: A-Z
Here you find a complete word list with the English translation, context sentences and audio fragments. This list contains the words of the vocabulary lists in the book and is in alphabetical order.
Word list - A
aan de hand (10)
the matter
Wat is er aan de hand? Is er een probleem?
aanbieding, de (5)
offer, the
Deze week zijn de tomaten in de aanbieding.
aangenaam (1)
nice, pleasant
Hij heeft een aangename tijd in Amsterdam.
aankleden (zich -) (4)
to get dressed
Ik kleed me iedere morgen na het douchen aan.
aankomen (6)
to arrive
De trein komt om vier uur op het station aan.
aankomsttijd, de (6)
arrival time, the
Wat is de aankomsttijd van de trein uit Groningen? Hoe laat is de trein hier?
aanstaande (6)
coming
Aanstaande zaterdag ga ik naar mijn familie. Dat is over drie dagen.
aantrekken (4)
to put on
Zij trekt haar kleren aan.
aanwijzen (1)
to point at
Hij wijst zijn land op de kaart aan.
aardappelpuree, de (9)
mashed potatoes, the
Ze eet niet graag rijst en pasta, maar ze vindt aardappelpuree erg lekker.
aardbei, de (9)
strawberry, the
In de zomer zijn er veel rode vruchten, zoals aardbeien.
aardig (3)
nice, friendly
Ik vind mijn buurman niet zo leuk, maar zijn vrouw is erg aardig.
acht (1)
eight
Ze hebben acht kinderen; drie jongens en vijf meisjes.
achterkant, de (9)
back, the
Aan de achterkant van ons huis is een grote tuin. We hebben geen voortuin.
achternaam, de (1)
last name, the
Mijn achternaam is Jansen en mijn voornaam is Jan.
adres, het (2)
address, the
Wat is jouw adres? Waar woon je?
advies, het (10)
advice, the
Ze luisteren niet naar mijn advies en doen iets heel anders.
af en toe (7)
once in a while, sometimes
Ik kook meestal, maar af en toe kookt mijn vriend.
afgelopen (8)
last
Afgelopen jaar was ik achttien, maar dit jaar ben ik negentien.
aflopen (8)
to finish
Wat is het einde van het verhaal? Loopt het verhaal goed af?
afrekenen (9)
to pay, to settle the bill
Ober, kunnen we afrekenen?
afspreken (4)
to make an appointment
Hoe laat spreken we vanavond af? Zullen we om zeven uur in het restaurant afspreken?
afwasmiddel, het (5)
dishwashing detergent, the
Ik kan niet afwassen, want er is geen afwasmiddel.
afwassen (4)
to wash the dishes
Na het eten wassen de studenten samen af.
afwerken (10)
to finish
Mijn moeder heeft een jurk gemaakt. Ze is bijna klaar, ze moet hem alleen nog afwerken.
agenda, de (4)
agenda, the
Wanneer ik met je kan voetballen? Ik kijk even in mijn agenda.
alle (5)
all
Niet alle cursisten komen uit China. Jamie komt uit Engeland en Claudia uit Duitsland.
alleen (9)
alone
Dit weekend ben ik alleen, maar volgend weekend komen mijn ouders.
allemaal (9)
all / everything
Ik heb vier vrienden uitgenodigd. Ze komen allemaal.
alles (1)
everything
Je voornaam, je achternaam, je adres; schrijf alles in je boek.
als (6)
when / as / if
Ze werkt als docent bij de universiteit.
altijd (3)
always
Ze gaan in het weekend altijd laat naar bed.
ander(e) (1)
other
Morgen kan ik niet, maar misschien een andere dag?
anders (7)
different
Zij is heel anders dan haar zus. Ze lijken niet op elkaar.
appartement, het (7)
apartment, the
Wij wonen in een appartement op de derde verdieping.
appel, de (5)
apple, the
Ik houd van fruit. Ik eet iedere dag een appel of een banaan.
auto, de (2)
car, the
Ga je met de auto of met de trein naar Frankrijk?
april (5)
April
In april is het lente.
augustus (5)
August
Ben jij in augustus jarig?
avond, de (4)
evening, the
We kijken iedere avond naar het nieuws op televisie.