Word list: A-Z
Here you find a complete word list with the English translation, context sentences and audio fragments. This list contains the words of the vocabulary lists in the book and is in alphabetical order.
Word list - O
ober, de (9)
waiter, the
Ober, kunnen we betalen?
ochtend, de (4)
morning, the
De ochtend is van zes tot twaalf uur.
oefening, de (1)
exercise, the
De student maakt de oefening.
of (3)
or
Wil je koffie, of wil je thee?
of zo (9)
or something like that
Hoeveel mensen komen op je feestje? Vijftien, of zo.
oktober (5)
October
Hij gaat half oktober naar Parijs.
olijf, de (8)
olive, the
Olijven komen uit warme landen; niet uit Nederland.
om (4)
at
Anna moet om zeven uur thuis zijn.
oma, de (3)
grandmother, the
Mijn oma is 88 jaar oud.
omdat (6)
because
Ik ga niet naar het feest, omdat ik niet kan.
omdraaien (9)
to turn
Hij draait het papier om.
onder (6)
under
De kat ligt onder de tafel.
onderbroek, de (10)
underpants, the
Ik doe eerst mijn onderbroek aan, en dan mijn broek.
ongeduldig (3)
impatient
Hij kan niet wachten; hij is ongeduldig.
ongeveer (3)
approximately
De appels kosten ongeveer € 1,50 per kilo.
ongezond (9)
unhealthy
Roken is ongezond.
onopvallend (9)
inconspicuous
Niemand ziet haar. Ze is onopvallend.
ons (2)
us
Komen jullie bij ons eten?
ons, het (5)
100 grams
Mag ik een ons ham, alstublieft?
ontbijten (4)
to have breakfast
Iedere morgen ontbijt ik. Ik eet een boterham en drink thee.
ontwerper, de (10)
designer, the
De ontwerper van deze tas heet Dior.
onvoorzichtig (8)
careless
Je moet niet zo onvoorzichtig zijn. Straks val je.
onwennig (10)
uneasy
In een nieuw land voel je je misschien onwennig.
onzeker (3)
uncertain
Ik weet niet wanneer ik een examen heb. Dat is onzeker.
oog, het (3)
eye, the
Zij heeft goede ogen. Ze ziet alles.
oogst, de (5)
harvest, the
De oogst van dit jaar is goed. Er zijn veel appels.
ook (1)
also, too
Ik wil graag een boterham en ook een croissant.
oom, de (3)
uncle, the
Dit is mijn oom. Hij is de broer van mijn vader.
opa, de (3)
grandfather, the
Ik heb twee opa’s, maar geen oma.
opdracht, de (9)
assignment, the
Bij opdracht 2 moet je de vragen beantwoorden.
opendoen (4)
to open up
Kun je de deur opendoen? Ik heb geen sleutel.
ophalen (6)
to pick up / to fetch
Ik haal je met de auto op. Je hoeft niet te lopen.
opladen (6)
to upload
Je moet je ov-kaart opladen voor vertrek.
oplossing, de (6)
solution, the
Weet jij de oplossing van deze puzzel?
opmaken (zich -) (9)
to put on make-up
Ze maakt zich op met mascara en blusher.
oppervlakte, de (7)
surface, the
De oppervlakte van deze kamer is 16m2.
opruimen (8)
to tidy up
Heb je je kamer opgeruimd?
opstaan (4)
to get up / to stand up
We staan ’s morgens om zeven uur op.
optimistisch (3)
optimistic
Ben je optimistisch of pessimistisch?
oranje (10)
orange
Vind je een oranje shirt mooi?
oud (3)
old
Mijn jas is oud. Ik wil een nieuwe jas.
oude kaas, de (5)
old cheese, the
Oude kaas smaakt anders dan jonge kaas.
over (4)
after
Over drie weken is het vakantie.
over (5)
about
Vertel eens over je familie.
overhemd, het (10)
shirt, the
Peter heeft een wit overhemd gekocht.
overleden (3)
deceased
Mijn opa is in 2001 overleden.
overstappen (6)
to change
Moeten we op Utrecht Centraal overstappen?
ov-chipkaart, de (6)
public transport card, the
De reis met de trein of bus kun je met de ov-chipkaart betalen.