Word list: A-Z
Here you find a complete word list with the English translation, context sentences and audio fragments. This list contains the words of the vocabulary lists in the book and is in alphabetical order.
Word list - D
daar (1)
there
Kijk, hier woon ik nu en daar ga ik wonen.
daarna (4)
after that
We moeten eerst koken, en daarna kunnen we eten.
daarom (7)
that’s why, therefore
Ik ben ziek, daarom kom ik niet.
dag, de (4)
day, the
Op welke dagen is jouw cursus Nederlands?
dak, het (7)
roof, the
De kat zit op het dak van mijn huis.
dan (4)
then
We gaan eerst een week naar Frankrijk, en dan een week naar Spanje.
danken (2)
to thank
Ik dank je voor je hulp!
dansen (2)
to dance
Ik dans op feesten en in de disco.
dansles, de (2)
dancing lesson, the
Hij heeft dansles van een bekende choreograaf.
dansvloer, de (10)
dance floor, the
Op de dansvloer beginnen ze direct te dansen.
dat (1)
that
Dat is een leuke naam!
december (5)
December
De maand december is een feestmaand.
delen (7)
to share
In mijn studentenhuis moet ik de badkamer en keuken delen met drie andere studenten.
denken (3)
to think
Denk je dat hij uit Nederland komt? Ik denk het wel!
derde (5)
third
Hij woont op de derde verdieping.
deur, de (2)
door, the
Doe je de deur open? Ik wil naar binnen!
deze (7)
this
Ik heb deze bloes van mijn zus.
dezelfde (3)
the same
Ze hebben dezelfde kleur haar. Ze zijn blond.
dicht bij (6)
close to
Ik woon dicht bij het station. Het is vijf minuten lopen.
die (7)
that
Vind je die broek mooi?
dief, de (3)
thief, the
De politie heeft de dief gearresteerd.
diep (1)
deep
Hoe diep is het water?
diepvries, de (5)
freezer, the
Ik koop liever verse vis, dan vis uit de diepvries.
dik (3)
thick
Hij is een beetje dik. Hij eet te veel en sport te weinig.
ding, het (10)
thing, the / item, the
Hoe noem je dat ding in het Nederlands?
dinsdag (4)
Tuesday
We hebben les op dinsdag en donderdag.
dip, de (1)
dip, the
Hij heeft een dip. Het gaat niet zo goed.
dit (7)
this
Vind je dit T-shirt leuk?
docent, de (1)
teacher, the
De docent geeft goed les.
dochter, de (3)
daughter, the
Zijn dochter heet Vanessa en ze is nu drie jaar oud.
doen (1)
to do
Wat doe je in het weekend?
dom (3)
stupid
Wat een domme vraag! Natuurlijk help ik je!
donderdag (4)
Thursday
We hebben les op dinsdag en donderdag.
donker (7)
dark
In de winter is het al om 17.00 uur donker.
dood (3)
dead
Mijn kat is dood. Hij was al oud.
door de week (7)
during the week
Door de week sta ik vroeg op, maar in het weekend slaap ik langer.
douche, de (4)
shower, the
Ik maak de douche elke week schoon.
douchen (4)
to shower
Ze douchen met warm water en zeep.
dragen (10)
to wear
De politie draagt in Nederland een donkerblauw uniform.
drie (1)
three
Ze hebben drie kinderen: een zoon en twee dochters.
driedelig (10)
three-piece
Op zijn werk draagt hij een driedelig pak, maar thuis draagt hij een spijkerbroek en T-shirt.
drinken (2)
to drink
Nederlanders drinken meer koffie dan thee.
dromen (8)
to dream
Iedere nacht droomt ze van haar vriend.
druk (3)
busy
Ik ben soms rustig, maar soms ook een beetje druk.
dubbel (1)
double
Ik heb twee dezelfde boeken; ik heb ze dubbel.
Duitsland (1)
Germany
Duitsland is een groot land en ligt naast Nederland.
dun (3)
thin
Ze eet erg weinig. Daarom is ze zo dun.
duren (6)
to take / to last for
Onze vakantie duurt drie weken.
duur (6)
expensive
In Nederland is het bier duurder dan in België.