Word list: A-Z
Here you find a complete word list with the English translation, context sentences and audio fragments. This list contains the words of the vocabulary lists in the book and is in alphabetical order.
Word list - N
na (2)
after
Na het ontbijt ga ik naar de universiteit.
naam, de (1)
name, the
Wat is je naam? Hoe heet je?
naar (1)
at
Kijken jullie naar de televisie?
naar (4)
to, towards
Ik ga naar de stad.
naast (5)
next to
Ik zit naast mijn vriendin.
nacht, de (8)
night, the
Het is 00.00 uur. Het is nacht.
nadenken (10)
to think about it
Ik moet over het probleem nadenken.
nagerecht, het (9)
dessert, the
Het nagerecht is ijs met chocoladesaus.
natuur, de (8)
nature, the
Ze gaan vaak wandelen in het bos; ze houden van de natuur.
natuurlijk (3)
of course
Kan ik hier zitten? Natuurlijk!
Nederland (1)
Netherlands, the
Woon je in Nederland?
Nederlandse (1)
Dutch (female)
Zij is Nederlandse, ze is geboren in Utrecht.
nee (1)
no
Nee, ik woon niet in Nederland.
neef, de (3)
nephew, the / cousin, the
De zoon van mijn broer en de zoon van mijn oom zijn mijn neven.
negen (1)
nine
Vandaag is het negen april. Morgen is het tien april.
nemen (4)
to take
Hij neemt een douche en dan neemt hij een kopje koffie.
netjes (3)
decent
Het huis is schoon en netjes.
neus, de (2)
nose, the
Met je neus ruik je.
nicht, de (3)
niece, the / female cousin, the
De dochter van mijn broer en de dochter van mijn oom zijn mijn nichten.
niet (1)
not
Ik kan morgen niet komen. Sorry.
niets (2)
nothing
Vandaag werk ik, maar morgen doe ik niets.
nieuw (1)
new
Mijn fiets is nieuw.
nieuws, het (4)
news, the
Om acht uur is het nieuws op de televisie.
Nieuw-Zeeland (1)
New Zealand
Nieuw-Zeeland is heel ver weg.
nodig (8)
necessary
Moet ik je helpen? Nee, dat is niet nodig.
nog (3)
yet / still / further
Ben je op de universiteit? Nee, nog niet.
nooit (2)
never
Anna is nooit te laat. Ze komt altijd op tijd.
normaal (3)
normal
Deze fles wijn kost tachtig euro. Dat is toch niet normaal?
normaal (6)
usually
Normaal sport ik elke zaterdag.
noteren (6)
to note down
Heb je een pen? Dan noteer ik het telefoonnummer.
november (5)
November
Bent u in november jarig?
nu (1)
now
Kom je nu of kom je later?
nuchter (3)
down-to-earth
Hij is niet romantisch, maar hij is nuchter.
nul (1)
zero
Het is één-nul voor FC Barcelona.
nummer, het (2)
number, the
Op welk nummer woon jij?