Word list: A-Z
Here you find a complete word list with the English translation, context sentences and audio fragments. This list contains the words of the vocabulary lists in the book and is in alphabetical order.
Word list - S
’s avonds (4)
in the evening
’s Avonds ga ik om elf uur naar bed.
’s middags (4)
in the afternoon
’s Middags drink ik een kopje thee.
’s morgens (4)
in the morning
’s Morgens sta ik om zeven uur op.
saai (5)
boring
Wat een saaie film. Ik slaap bijna.
samen (1)
together
John en ik gaan samen studeren.
saus, de (5)
sauce, the
Wil je saus bij het vlees?
schaatsen (8)
to ice skate
In de winter schaatsen we op het ijs.
scheren (zich -) (4)
to shave
Hij wil geen baard. Hij scheert zich elke morgen.
schijnen (7)
to shine
De zon schijnt. Het is een mooie dag.
schilderij, het (7)
painting, the
De schilderijen van deze schilder hangen in een museum.
schoen, de (7)
shoe, the
Mijn nieuwe schoenen lopen lekker.
school, de (8)
school, the
De kinderen gaan naar school om te leren.
schoonmaakmiddel, het (4)
cleaning agent, the
Met dit schoonmaakmiddel maak je de badkamer schoon.
schoonmaken (4)
to clean
Mijn huis is vies. Ik moet mijn huis schoonmaken.
schoonzus, de (3)
sister-in-law, the
Mijn broer en mijn schoonzus komen vanavond eten.
schrijven (1)
to write
Ik schrijf een e-mail naar mijn vriendin.
schrikken (6)
to be startled
Hij schrikt omdat ze plotseling voor hem staat.
schoof (schuiven) (6)
shoved (to shove, to move)
Hij schoof zijn stoel naar links. Zo kon ik naast hem zitten.
secretaresse, de (3)
secretary, the
De secretaresse maakt een afspraak voor haar baas.
selecteren (6)
to select
Ze selecteert de appels die ze wil kopen.
september (5)
September
In september begint het studiejaar.
serveerster, de (9)
waitress, the
Je kunt wijn bestellen bij de serveerster.
sinas, de (5)
orange soda, the
Wil je sinas of cola?
sjaal, de (10)
scarf, the
Doe je sjaal om. Het is koud.
skypen (2)
to Skype
Gelukkig kan ik met mijn vriendin in Spanje skypen.
sla, de (5)
lettuce, the
Ik moet nog sla, komkommer en tomaten kopen bij de groentewinkel.
slagroom, de (9)
whipped cream, the
Op de taart zit heel veel slagroom.
slank (3)
slender
De vrouw heeft een slank postuur.
slapen (8)
to sleep
Ik ben moe. Ik ga slapen.
slecht (1)
bad
Het gaat slecht met hem. Hij is ziek.
slim (3)
smart, intelligent
Die vrouw is heel slim. Zij is gepromoveerd.
slordig (3)
sloppy
Hij is slordig. Hij kan zijn boeken niet vinden.
smaken (9)
to taste
Deze appel smaakt heel lekker.
smoking, de (10)
tuxedo, the
Op het gala draagt hij een smoking.
snack, de (5)
snack, the
Ik heb honger en het is nog geen etenstijd. Ik neem een snack.
snappen (6)
to understand
Snappen jullie de vraag? Of is het te moeilijk?
snel (3)
fast, quickly
Hij fietst 30 km per uur. Dat is snel.
snor, de (3)
mustache, the
De man heeft een snor maar geen baard.
soep, de (5)
soup, the
Wil je soep als voorgerecht?
sok, de (10)
sock, the
Blauwe sokken passen bij een blauwe broek.
somber (3)
miserable
Hij is erg somber en vaak pessimistisch.
sommige (5)
some
Sommige mensen houden van thee, andere mensen niet.
soms (4)
sometimes
Soms ga ik naar de bioscoop, maar meestal kijk ik thuis naar een dvd.
souvenir, het (8)
souvenir, the
Een typisch Hollands souvenir is een molentje.
spaghetti, de (5)
spaghetti, the
Spaghetti bolognese is een populair gerecht.
Spanje (1)
Spain
Zij is Spaanse. Ze komt uit Spanje.
speculaas, de (5)
ginger cookie, the
Wil je speculaas of een ander koekje?
spek, het (5)
bacon, the
De Engelsen eten ’s morgens spek met ei.
spelen (2)
to play
De jongen speelt de hele dag piano.
spellen (1)
to spell
Kun je je naam spellen?
spijkerbroek, de (10)
jeans, the
Hij draagt altijd een blauwe spijkerbroek.
spoor, het (6)
track, the
Van welk spoor vertrekt de trein naar Groningen?
sporten (4)
to go sporting, to exercise
Zij sport drie of vier keer per week.
sportief (3)
sporty
Hij is heel sportief. Hij voetbalt, tennist en basketbalt.
spreken (1)
to speak
Kun je langzamer spreken? Ik versta het niet.
springen (10)
to snap / to jump
Mijn bretels zijn gesprongen. Ze zijn kapot.
De kinderen springen op de trampoline.
staan (7)
to stand
Waar staat de koffie?
staan (10)
to suit
Die broek staat je goed.
stamboom, de (3)
family tree, the
De stamboom van haar familie is heel groot.
station, het (6)
station, the
Ik ga naar het station. Ik moet de trein van drie uur hebben.
sterk (3)
strong
Ben jij sterk? Kun je deze koffer dragen?
stil (9)
quiet
Zij is nooit stil. Zij praat altijd.
stoel, de (6)
chair, the
Je kunt op deze stoel zitten. Deze is nog vrij.
stof, het (4)
dust, the
Niemand maakt schoon. Overal ligt stof.
stokbrood, het (5)
French bread, the
De Fransen eten veel stokbrood.
straat, de (1)
street, the
In welke straat woon je?
strak (10)
tight
Dit T-shirt zit te strak. Ik moet een grotere maat hebben.
straks (5)
later
Ik zie je vanmiddag. Tot straks.
strand, het (8)
beach, the
Dit weekend gaan we naar het strand en de zee.
stress, de (8)
stress, the
Hij heeft een drukke baan en hij heeft veel stress.
stressvol (8)
stressful
Hij heeft een stressvolle baan. Hij werkt heel veel.
strijken (8)
to iron
Kun je mijn bloes strijken?
student, de (1)
student, the
De student studeert psychologie aan de universiteit.
studeren (1)
to study
Aan welke universiteit studeer je?
stuk, het (5)
piece, the
Ik wil niet alle chocola, maar wel een stuk.
suiker, de (7)
sugar, the
Wil je suiker in de koffie?
supermarkt, de (5)
supermarket, the
Bij de supermarkt kun je boodschappen doen.