Word list: A-Z
Here you find a complete word list with the English translation, context sentences and audio fragments. This list contains the words of the vocabulary lists in the book and is in alphabetical order.
Word list - V
vaak (6)
often
Ik ga vaak sporten; drie of vier keer per week.
vader, de (3)
father, the
Zijn vader en moeder wonen in Nijmegen.
vakantie, de (8)
holidays, the
In de vakantie gaan we uitslapen.
vakantiebestemming, de (8)
holiday destination, the
Onze vakantiebestemming is deze zomer Spanje.
van (1)
of / from
Die tas is van mij.
van alles en nog wat (9)
all sorts of things and more
Deze winkel heeft van alles en nog wat te koop.
van tevoren (8)
beforehand
Straks gaan we naar de film. Zullen we van tevoren samen nog iets eten?
vanaf (5)
starting at
Je moet vanaf het begin beginnen.
vanavond (2)
this evening, tonight
Vanavond ga ik vroeg naar bed.
vandaag (6)
today
Ik ga vandaag sporten. Morgen kan ik niet.
vandaan (1)
from
Waar kom je vandaan?
vanmiddag (2)
this afternoon
Vanmiddag hebben we les. De les begint om twee uur.
vanmorgen (8)
this morning
Vanmorgen ben ik vroeg opgestaan.
vannacht (8)
last night
Ik heb vannacht goed geslapen.
varen (8)
to travel by boat
De boot vaart naar Engeland.
varkensvlees, het (9)
pork, the
Eet je varkensvlees of alleen rundvlees?
veel (1)
much, many
Hij heeft veel boeken.
veel (2)
a lot, much
Hij leest ook veel.
vegetarisch (9)
vegetarian
Ik eet geen vlees. Ik eet altijd vegetarisch.
vel, het (1)
skin, the
Mijn vel is verbrand in de zon.
ver (7)
far
Is Maastricht ver van Groningen?
ver weg (7)
far away
Maastricht is ver weg van Groningen.
verbranden (8)
to get a sunburn
Zij is verbrand door de zon.
verder (6)
then / further
Ik koop brood. Verder heb ik niets nodig.
verdieping, de (7)
floor, storey, the
Ik woon op de tweede verdieping van die flat.
vergelijken (7)
to compare
Als je de kamers vergelijkt, is deze mooier.
vergeten (5)
to forget
Ik weet het niet meer. Ik ben het vergeten.
verhuizen (7)
to move
Morgen verhuist ze van Middelburg naar Utrecht.
verkopen (10)
to sell
In deze winkel verkopen ze smokings.
verkoper, de (10)
salesman, the
De verkoper geeft de klant advies.
verliefd (4)
in love
Ze zijn verliefd en ze willen met elkaar trouwen.
vermaken (zich -) (8)
to enjoy oneself
Hij vermaakt zich met computerspelletjes.
vermoeiend (8)
tiring
Hij vindt reizen niet fijn, maar heel vermoeiend.
vertellen (1)
to tell
Kun je me vertellen waar zij woont?
vertraging, de (6)
delay, the
Het vliegtuig heeft een uur vertraging. We moeten wachten.
vertrekken (6)
to leave
Hoe laat vertrekt de trein naar Zwolle?
vertrektijd, de (6)
departure time, the
De vertrektijden van de treinen staan op het bord.
vervolgens (6)
next
Eerst krijgen we een voorgerecht en vervolgens een hoofdgerecht.
vest, het (10)
cardigan, the
Het vest is lekker warm.
vet (4)
greasy / fat
Je moet je haar wassen. Het is vet.
In patat zit veel vet.
veter, de (10)
shoelace, the
Wil je schoenen met veters of zonder veters?
V-hals, de (10)
V-neck, the
Hij draagt T-shirts met V-hals of met een ronde hals.
vier (1)
four
Twee en twee is vier.
vierde (5)
fourth
Ik ben in juli voor de vierde keer naar Denemarken geweest.
vierkante meter, de (7)
square meter, the
Zijn kamer is zestien vierkante meter.
vies (9)
not tasty / dirty
Sorry, maar ik vind deze koffie vies.
Ik moet schoonmaken. Mijn huis is erg vies.
vijf (1)
five
Een voet heeft vijf tenen.
vijfde (5)
fifth
Ik kan in mei. De vijfde kunnen we afspreken.
vinden (2)
to find
Ik vind mijn sleutels niet. Waar zijn ze?
vis, de (2)
fish, the
De vis zwemt in het water.
vissen (2)
to fish
Ze vist, want ze wil vis eten.
vla, de (5)
custard, pudding, the
Het toetje is vandaag vla.
vlees, het (5)
meat, the
Eet je liever vlees of vis?
vleeswaren, de (5)
meat products, the
Ham en worst zijn vleeswaren voor op de boterham.
vliegen (6)
to fly
Wanneer vlieg je naar Jakarta?
vliegtuig, het (6)
airplane, the
Het vliegtuig vertrekt vanaf Schiphol.
vloer, de (10)
floor, the
In de kamer ligt een kleed op de vloer.
vluchten (10)
to flee
Hij wil weg en vlucht naar buiten.
voelen (zich -) (10)
to feel
Hij voelt zich niet goed en hij wil naar huis.
voetballen (2)
to play soccer
Op zaterdagochtend voetbalt hij met zijn vrienden.
vol (6)
full
De kaarten zijn uitverkocht. Het theater zit vol.
volgen (6)
to follow
Volg de instructies uit het boek.
volgend (6)
next
Volgend jaar ga ik studeren.
volgens (7)
according to
Volgens mij wordt het morgen mooi weer.
volkorenbrood, het (5)
whole wheat bread, the
Volkorenbrood is gezonder dan wit brood.
volleyballen (2)
to play volleyball
Het team volleybalt heel goed.
voor (4)
before, to
Voor ik naar de universiteit ga, douche ik.
voorgerecht, het (9)
starter, the
Wil je een voorgerecht of alleen een hoofdgerecht?
voornaam, de (1)
first name, the
Mijn voornaam is Patrick.
voorstellen (zich -) (4)
to introduce
Mag ik me even voorstellen? Ik ben Patrick.
vorig (8)
last
Vorige week ben ik naar een concert geweest. Volgende week ga ik weer.
vraag, de (1)
question, the
Ik weet geen antwoord op deze vraag.
vragen (1)
to ask
Mag ik iets vragen? Waar zijn de toiletten?
vreselijk (2)
awful
Ik vind deze film vreselijk. Ik wil hem niet zien.
vriend, de (4)
friend, the
Hij is een goede vriend. Hij helpt me altijd.
vriendin, de (1)
friend, the (female)
Ik ga niet met familie op vakantie, maar met een vriendin.
vrij (2)
free
Heb je morgen vrij? Zullen we iets afspreken?
vrijdag (4)
Friday
Vandaag is het donderdag. Morgen is het vrijdag.
vroeg (4)
early
Ik sta vroeg op; om zes uur.
vrolijk (3)
gay, cheerful
Hij is altijd vrolijk. Hij lacht vaak.
vrouw, de (2)
woman, the
Is de directeur een man of een vrouw?
vrucht, de (9)
fruit, the
Een appel is een vrucht.