Word list: A-Z
Here you find a complete word list with the English translation, context sentences and audio fragments. This list contains the words of the vocabulary lists in the book and is in alphabetical order.
Word list - W
waar (1)
where
Waar woon je?
waar (1)
true
Is het echt waar?
waarom (6)
why
Waarom kom je niet naar het feest?
waarschuwen (8)
to warn
Hij waarschuwt mij voor dieven.
wachten (6)
to wait
Ik wacht al twintig minuten op de bus.
wakker (8)
awake
Ik word iedere dag om acht uur wakker.
wandelen (2)
to walk / to hike
Hij wandelt door het bos met de hond.
wanneer (4)
when
Wanneer komen jullie, morgen of overmorgen?
want (3)
because
Ik kom niet, want ik ben ziek.
warm (7)
warm
In Nederland is het niet zo warm als in Spanje.
wasmiddel, het (5)
detergent, the
Kleren was je met wasmiddel.
wassen (zich -) (4)
to wash
Hij wast zijn kleren en daarna strijkt hij ze.
wasverzachter, de (5)
wash softener, the
Met wasverzachter worden je kleren zacht en soepel.
wat (2)
what
Wat doe je?
water, het (4)
water, the
Ik drink water, want ik heb dorst.
waterdicht (10)
waterproof
Is je jas waterdicht? Wil je mijn paraplu?
wc, de (6)
toilet, the
De wc is vies. Ik moet hem schoonmaken.
we (1)
we
Jij en ik, we gaan samen.
week, de (4)
week, the
Een week heeft zeven dagen.
weekend, het (2)
weekend, the
In het weekend slaapt hij uit. Door de week moet hij vroeg opstaan.
weer (9)
again
Leuk om je te zien. Wanneer kom je weer?
weg (10)
away
Mijn fiets is weg. Misschien is hij gestolen.
wegen (5)
to weigh
Hoeveel weegt dit stuk kaas?
wegfietsen (3)
to bike away
Ik zie de kinderen wegfietsen, ze fietsen de straat uit.
weinig (7)
few, little
Ik heb honger. Ik heb weinig gegeten.
weleens (6)
ever
Ben je weleens in Amerika geweest?
welk(e) (1)
what / which
In welke straat woon je?
wennen (8)
to get used to
Ik sta altijd vroeg op. Ik ben eraan gewend.
wens, de (9)
wish, the
Zijn wens komt uit. Hij heeft een prijs gewonnen.
werk, het (4)
work, the
Deze baan is interessant. Het is leuk werk.
werken (1)
to work
Hij werkt als manager bij een bank.
werkkamer, de (7)
study room, the
In de werkkamer staan veel studieboeken.
weten (6)
to know
Hij weet heel veel. Op elke vraag weet hij een antwoord.
wie (1)
who
Wie ben je?
wij (1)
we
Jij en ik, wij gaan samen.
wijn, de (5)
wine, the
Ik wil graag een rode wijn.
willen (4)
to want
Willen jullie een biertje?
winkel, de (5)
shop, the
Deze winkel verkoopt alleen kaas.
winkelen (8)
to shop
Vandaag ga ik winkelen. Ik wil een nieuwe broek kopen.
wisselen (3)
to change
Kun je geld wisselen?
wit (7)
white
Een witte bloes staat je beter dan een zwarte bloes.
woensdag (4)
Wednesday
Vandaag is het dinsdag, dus morgen is het woensdag.
wonen (1)
to live
Woon je hier al lang?
woning, de (7)
housing, the
De woning heeft geen balkon.
woonkamer, de (7)
living room, the
In de woonkamer staat een bank en een televisie.
woord, het (1)
word, the
Wat betekent dit woord?
worden (5)
to become
Wordt u al geholpen? Of kijkt u even rond?
worst, de (5)
sausage, the
Deze worst is erg lekker.
wortel, de (5)
carrot, the
Een kilo wortels, graag.