Word list: A-Z
Here you find a complete word list with the English translation, context sentences and audio fragments. This list contains the words of the vocabulary lists in the book and is in alphabetical order.
Word list - T
taal, de (1)
language, the
Nicole spreekt twee talen: Engels en Nederlands.
taart, de (9)
pie, cake, the
Heb je zin in een stuk taart?
tafel, de (6)
table, the
We gaan eten. Komen jullie aan tafel?
tandenpoetsen (4)
to brush one’s teeth
Ik poets twee keer per dag mijn tanden.
tante, de (3)
aunt, the
Mijn tante, de zus van mijn moeder, is een leuke vrouw.
tap, de (9)
bar, the
Hebt u bier van de tap of in een flesje?
tarief, het (2)
price, the
Het tarief is de prijs die je moet betalen.
tas, de (5)
bag, the
Ik doe de boeken in de tas.
tasje, het (5)
little bag, the
Hebt u een tasje voor de boodschappen?
taxi, de (6)
taxi, the
Hij gaat nooit met de taxi. Hij neemt de bus.
te (7)
too
Deze broek is te groot. Hebt u een maat kleiner?
teen, de (10)
toe, the
Au. Je staat op mijn teen!
tegenover (6)
across from
Zij wonen tegenover de supermarkt. Dat is dichtbij.
tegenovergestelde, het (3)
opposite, the
Het tegenovergestelde van zwart is wit.
tekenen (1)
to draw
Het kind tekent een huis op het papier.
tekst, de (1)
text, the
Lees de tekst goed.
telefoon, de (6)
telephone, the
Wie heb je aan de telefoon?
telefoonnummer, het (1)
phone number, the
Ik kan hem niet bellen. Ik heb zijn telefoonnummer niet.
televisie, de (4)
television, the
Hij kijkt naar het nieuws op televisie.
tenminste (10)
at least
Ik werk misschien niet snel, maar ik doe alles tenminste goed.
tennissen (2)
to play tennis
Ik tennis iedere woensdag met mijn vriendin.
tent, de (8)
tent, the
Op vakantie slapen we in een tent, niet in een hotel.
terras, het (7)
terrace, the
De mensen zitten op het terras in de zon.
terug (6)
back
Ga je weg? Hoe laat kom je weer terug?
terugweg, de (9)
way back, the
We gaan heen met de auto. Op de terugweg nemen we de trein.
tevoorschijn komen (10)
to appear
Hij blijft op zijn kamer. Hij wil niet tevoorschijn komen.
thee, de (4)
tea, the
Wil je thee of koffie?
thuisblijven (2)
to stay at home
Ik wil vanavond thuisblijven en tv kijken.
tien (1)
ten
Ik heb tien vingers.
tijd, de (2)
time, the
De tijd gaat snel. Het is al vier uur.
tip, de (9)
helpful hint, the
In welk restaurant kunnen we goed eten? Kun je een tip geven?
toch (4)
anyway / nevertheless
Ik houd niet van melk. Toch drink ik melk.
toilet, het (6)
toilet, the
Heeft de hotelkamer een eigen toilet?
toiletpapier, het (5)
toilet paper, the
In de wc hangt toiletpapier.
tomaat, de (5)
tomato, the
Houd je van tomaat?
tomatensaus, de (4)
tomato sauce, the
Heb je tomatensaus voor de pasta gekocht?
tomatensoep, de (9)
tomato soup, the
Tomatensoep is een voorgerecht.
tonijn, de (9)
tuna, the
Een broodje tonijn is heerlijk.
topsporter, de (3)
professional athlete, the
De topsporters gaan naar de Olympische Spelen.
tot (5)
till
Ik studeer tot ik alles weet.
tot slot (6)
finally
Tot slot wil ik zeggen: ‘Dank je wel!’
totaal (5)
total
Hij is totaal niet pessimistisch. Hij is heel optimistisch.
trap, de (7)
staircase, the
Ik neem de trap naar boven.
trein, de (6)
train, the
De trein vertrekt van spoor 3.
treinkaartje, het (6)
train ticket, the
Hebt u een treinkaartje of reist u met een ov-kaart?
trouwens (8)
by the way
Weet je trouwens dat hij goed kan dansen?
trui, de (8)
jumper, the
Ik doe mijn trui uit. Ik heb het warm.
T-shirt, het (4)
T-shirt, the
Hij draagt een T-shirt onder zijn bloes.
tuin, de (7)
garden, the
Een huis met een tuin is heel erg fijn.
twee (1)
two
Ze hebben twee kinderen. Een jongen en een meisje.
tweede (5)
second
Wonen jullie op de tweede verdieping of op de derde?
tweepersoons (6)
two persons
Ik wil graag een tweepersoons reserveren.