Woordenlijst: A-Z
Hier vind je de complete verzamelde woordenlijst met Engelse vertaling, contextzinnen en audiofragmenten. De lijst bevat de woorden van de acht woordenlijsten uit het boek. De woorden in deze verzamelde lijst staan in alfabetische volgorde.
Woordenlijst - A
aanbellen (1)
to ring the bell
De buurman belt aan en vraagt of ik suiker heb.
aanduiden (4)
to point out, indicate
Kunt u aanduiden waar uw buurt is?
aangaan (7)
to start (a relationship)
Ze wil met hem daarover geen discussie aangaan.
aanhef, de (1)
opening words, the
Schrijf na de aanhef van de brief een komma.
aankloppen (1)
to knock
Bij dit hotel kun je midden in de nacht aankloppen.
aankomstplaats, de (5)
finish, the
Het publiek stond bij de aankomstplaats te wachten.
aanraken (5)
to touch
Raak met je vingers je tenen aan.
aanrecht, het (4)
kitchen counter, the
Ze staat op het aanrecht de groente te snijden.
aanspannen (5)
to tighten
Span je beenspieren goed aan.
aansporen (5)
to encourage
De trainer spoort de voetballers aan.
aantal, het (4)
number, the
Wat is het minimum aantal kamers voor jou?
aantrekkelijk (8)
appealing
Ik vind hem niet aantrekkelijk maar wel erg aardig.
aanwezig (1)
present
De aanwezige toeristen maken snel een foto.
aardappelpuree, de (3)
mashed potatoes, the
Hij eet graag kip met aardappelpuree.
abonnement, het (5)
season ticket, the
Heb jij een abonnement op de sportschool?
actief (7)
active, actively
Ik ben op zoek naar een sportieve en actieve jongen.
afgieten (3)
to pour off
Giet dan de pasta voorzichtig af.
afhangen van (4)
to depend on
De prijs van een huis hangt van de ligging af.
afkeer, de (3)
aversion to, the
Hij heeft een afkeer van vis.
(rechts/links) afslaan (2)
to turn (right/left)
U moet bij het tweede kruispunt links afslaan.
afsluiting, de (1)
closing words, the
Na de afsluiting van een brief, moet je een komma schrijven.
afspraakje, het (3)
date, the
Bij ons eerste afspraakje was het al heel romantisch.
afstand, de (5)
distance, the
Ik loop liever lange afstanden dan korte.
afwas, de (3)
dishes, the
Na het eten doet hij de afwas.
al (4)
already
Ben je al klaar met studeren? Dat is snel.
algemeen (4)
general
In het algemeen hebben Nederlandse huizen één badkamer.
alleen (7)
alone
Ga je alleen op vakantie, of gaan jullie samen?
allergisch (6)
allergic
Mijn vader is allergisch voor honden en katten.
alternatief (2)
alternative
We nemen een alternatieve route die rustiger is.
aluminium, het (4)
aluminium, the
Het aluminium lampje stond op mijn bureau.
andersom (5)
the other way around
Je moet deze oefeningen andersom doen; dus de eerste als laatste.
antiek (4)
antique
Dat antieke kastje is nog van mijn oma geweest.
appelmoes, de (3)
appel sauce, the
Voor de kinderen is er appelmoes bij de kip.
arm, de (3)
arm, the
Haal je armen van tafel af!
armoede, de (3)
poverty, the
Ze eten ’s avonds alleen brood; wat een armoede!
atleet, de (5)
athlete, the
De atleten lopen een halve marathon.
automatisch (7)
automatically
Als hij haar ziet, wordt hij automatisch rood.
autosnelweg, de (2)
highway, the
Er is veel verkeer op deze autosnelweg.
autoweg, de (2)
highway, the
Je kunt de autoweg nemen, of door dit dorp rijden.
azijn, de (3)
vinegar, the
Ze maakt een slasaus met olie en azijn.