Woordenlijst: A-Z
Hier vind je de complete verzamelde woordenlijst met Engelse vertaling, contextzinnen en audiofragmenten. De lijst bevat de woorden van de acht woordenlijsten uit het boek. De woorden in deze verzamelde lijst staan in alfabetische volgorde.
Woordenlijst - S
salontafel, de (4)
sidetable, the
Tussen de banken staat een witte salontafel.
samenleving, de (4)
society, the
De samenleving is niet altijd even tolerant voor minderheden.
sappig (3)
juicy
Wat een heerlijk sappige sinaasappel!
satijn, het (4)
satin, the
Satijnen lakens zijn heerlijk koel in de zomer.
schadelijk (6)
harmful
Roken is schadelijk voor je gezondheid.
schat, de (7)
dear, the
Je bent een lieve schat! Ik houd van je.
scheiden (7)
to divorce
Zijn ouders zijn vorig jaar gescheiden.
schenken (3)
to pour
Schenk de saus over het vlees.
scherp (3)
sharp, spicy
Door de scherpe smaken proef je het eten bijna niet.
schijnen (1)
to shine (sun)
Vandaag schijnt de zon de hele dag.
schillen (3)
to peel
Schil de aardappels en was ze goed.
schoppen (5)
to kick
Schop de bal naar je medespeler.
schouder, de (5)
shoulder, the
Doe je schouders naar achteren.
schrokken (3)
to gobble
Ook al heb je honger, je moet niet zo schrokken.
scoren (6)
to score
Ik heb bij het scoren mijn enkel en voet geblesseerd.
serieus (8)
serious
Ze is op zoek naar een serieuze relatie.
serveren (3)
to serve
Serveer dit gerecht met rijst of brood.
servet, het (3)
napkin, the
Je moet het servet op je schoot leggen.
simpel (3)
simple
Dit gerecht is heel simpel te maken.
skiën (1)
to go skiing
In de winter gaan we in Oostenrijk skiën.
slaapkamer, de (4)
bedroom, the
Ons huis heeft vier slaapkamers.
sloot, de (1)
ditch, the
In Nederland is veel water: meren, rivieren en sloten.
sluiten (2)
to close
Het museum gaat om vier uur sluiten.
slurpen (3)
to slurp
Als hij thee drinkt, slurpt hij altijd.
smaak, de (3)
taste, the
De smaak van citroen is zuur.
smaakvol (3)
tasty
Het eten is daar niet zo duur en altijd heel erg smaakvol.
smakelijk (3)
tasty
Smakelijk eten!
smakeloos (3)
tasteless
Heb je wel zout gebruikt? Het eten is nogal smakeloos.
smakken (3)
to smack one’s lips
De baby zit met het eten te spelen en te smakken.
smelten (3)
to melt
Als het ijs gesmolten is, kun je niet meer schaatsen.
smoesje, het (5)
excuse, the
Ik wil geen smoesjes meer horen. Morgen gaan we rennen!
snee, de (6)
cut, the
Hij had een diepe snee in zijn hand.
sneeuw, de (1)
snow, the
De kinderen spelen in de sneeuw.
sneeuwen (1)
to snow
Het heeft de hele nacht gesneeuwd en alles is wit.
snijden (3)
to cut with a knife
Waar heb je je mee gesneden? Wat een diepe wond!
soort, het (4)
kind of, the
Wat voor soort woning zoeken jullie?
spannend (2)
exciting
Ik vind het altijd spannend om alleen in een onbekende stad te zijn.
spiegel, de (4)
mirror, the
Ze staat voor de spiegel en kijkt naar zichzelf.
spier, de (5)
muscle, the
Als je veel oefent, krijg je sterke spieren.
spijten (1)
to be sorry
Het spijt me dat ik niet kan komen.
sporter, de (5)
athlete, the
Sporters leven vaak veel gezonder dan andere mensen.
sportschool, de (5)
gym, the
Ik ga drie keer per week naar de sportschool.
spreekuur, het (8)
office hours, the
Wanneer is het spreekuur van jouw huisarts?
spreiden (5)
to spread
Spreid je benen en doe ze weer bij elkaar.
springen (5)
to jump
Spring tien keer omhoog.
sprint, de (5)
sprint, the
Bij de sprint rent hij zo hard hij kan.
sprong, de (5)
jump, the
De sporter maakte een perfecte sprong.
spuitje, het (6)
injection, the
Ik geef je voor de zekerheid een spuitje tegen rabiës.
spul, het (4)
stuff, the
Je moet van dat witte spul kopen voor de ramen.
stad, de (1)
town, the
Ga je mee naar de stad, dan gaan we winkelen?
stampen (3)
to mash
Stamp de aardappels tot je puree hebt.
stappen (2)
to go out
Tijdens de vakantie gaan we iedere avond stappen.
startplaats, de (5)
starting point, the
De startplaats van de race is dit jaar in België.
statistiek, de (8)
statistics, the
Uit de statistieken blijkt dat steeds meer mensen alleen wonen.
stellen (2)
to ask (a question)
Sorry, mag ik u een vraag stellen?
stelling, de (8)
opinion, the
We discussiëren over deze stelling.
sterk (5)
strong
Hij is heel sterk en gespierd.
steunen (3)
to support
Als je geen vlees wilt eten, steun ik je en eet ik ook geen vlees.
stoplicht, het (2)
traffic light, the
Ga vervolgens bij het stoplicht naar rechts.
stoppen (5)
to stop
Als het stoplicht op rood staat moet je stoppen.
stormen (1)
to blow up a gale
Het stormde hard op zee en er waren hoge golven.
stoten (6)
to bump, to stumble against
Ik heb mijn been tegen de tafel gestoten.
strekken (5)
to stretch
Strek je armen en benen en probeer je tenen aan te raken.
strip, de (8)
comic, the
Ik lees liever strips dan gewone boeken.
stripverhaal, het (4)
comic, the
Nederlandse stripverhalen zijn goed om de taal te leren.
structuur, de (8)
structure, the
Ik begrijp wat je wil zeggen, maar je verhaal heeft weinig structuur.
studeerkamer, de (4)
study, the
Hij zat iedere avond in de studeerkamer te werken.
stuk, het (5)
piece, the
Ze verdelen de pizza in vijf grote stukken.
symbool, het (4)
symbol, the
Wat is het symbool van jouw land?
symptoom, het (6)
symptom, the
Dit zijn de belangrijkste symptomen van deze ziekte.
systeem, het (1)
system, the
Hij werkt zonder systeem, hij heeft geen plan.