Woordenlijst: A-Z
Hier vind je de complete verzamelde woordenlijst met Engelse vertaling, contextzinnen en audiofragmenten. De lijst bevat de woorden van de acht woordenlijsten uit het boek. De woorden in deze verzamelde lijst staan in alfabetische volgorde.
Woordenlijst - W
waaien (1)
to blow (wind)
Het waait vandaag. Er staat een harde wind uit het westen.
waarde, de (4)
value, the
Wat is de waarde van jullie oude woning?
waarderen (8)
to appreciate
Ik waardeer je hulp enorm. Bedankt voor alles.
waarnaartoe (2)
where to
Ga je weg? Waar ga je naartoe?
waarschijnlijk (3)
probably
Ik heb waarschijnlijk te veel water bij de soep gedaan. Proef eens.
wang, de (6)
cheek, the
Hij gaf haar een dikke kus op haar wang.
wasmachine, de (4)
washing machine, the
Doen jullie de vuile kleding in de wasmachine?
wastafel, de (4)
sink, the
Ik heb geen eigen badkamer, maar ik heb wel een wastafel in mijn kamer.
waterig (3)
watery
De soep is te dun; hij smaakt een beetje waterig.
wc, de (6)
toilet, the
Er is een wc op de begane grond en op de eerste verdieping.
wedstrijd, de (5)
match, game, the
Weet je wie de wedstrijd heeft gewonnen?
weekendje, het (2)
weekend, the
Zullen we een weekendje naar Parijs gaan?
weer, het (1)
weather, the
Veel Nederlanders praten graag over het weer.
weerbericht, het (1)
weather report, the
We kijken iedere avond na het nieuws naar het weerbericht.
weersverwachting, de (1)
weather forecast, the
De weersverwachting is goed: veel zon en weinig regen.
weertje, het (7)
weather, the
Tjongejonge, wat een lekker weertje vandaag!
weg, de (2)
road, the
Let goed op de weg als je autorijdt.
weiland, het (1)
pasture, meadow, the
De koeien staan in het weiland te grazen.
wekker, de (4)
alarm clock, the
Toen de wekker ging, stonden we direct op.
wereld, de (5)
world, the
Er zijn veel mensen in de wereld die niets aan sport doen.
werkblad, het (4)
worktop, the
We hebben een mooie, houten keuken met een stenen werkblad.
werktijd, de (8)
working hours, the
Je mag geen privégesprekken voeren onder werktijd.
west (1)
west
Ik woon in West-Nederland.
wet, de (7)
law, the
Volgens de wet zijn jullie hier niet officieel getrouwd.
wiel, het (4)
wheel, the
Ik moet de wielen van mijn fiets eens laten controleren.
wijzen (2)
to show the way
Kunt u mij de weg wijzen? Ik ben hier niet bekend.
wijziging, de (8)
change, the
Door een wijziging van de regels, mogen ze niet bij elkaar wonen.
wind, de (1)
wind, the
In Nederland staat er meestal veel wind.
winnen (5)
to win
Het blauwe team heeft de wedstrijd gewonnen.
winter, de (1)
winter, the
In de winter gaan ze een paar maanden naar Spanje.
winters (1)
wintery
Het wordt koud, met een paar winterse buien.
witlof, de (3)
chicory, the
Ik houd van witlof met ham en kaas.
wolk, de (1)
cloud, the
Het is vandaag blauw met een paar kleine wolken.
wond, de (6)
wound, the
Je moet deze wond goed verzorgen.