Hoofdstuk 10
Geschiedenis van de jeugdliteratuur
Een beschrijving van de geschiedenis van de jeugdliteratuur is hier te vinden.
Door de eeuwen heen
Als je weinig weet, is veel betekenisloos.
- Je rijdt in Frankrijk op de A1, Route du Nord, richting Parijs. Dan zie je in de buurt van Ermenonville een bord met de aanduiding Parc Jean-Jacques Rousseau. Dat zegt je mogelijk alleen dat er een park in de buurt is. Dat dit park genoemd is naar een bekende pedagoog die ook iets met kinderboeken te maken heeft, weet je niet.
- Iemand zegt over een bepaalde jongen dat hij ‘zo’n brave Hendrik is’. Je begrijpt dat het een keurige jongen is die zich aan alle regels houdt. Klopt, maar wie was die Hendrik?
- Ook dat ‘Jantje zag eens pruimen hangen o! als eieren zo groot’ komt je wellicht bekend voor, maar net als bij een aantal andere bekende dicht- of liedregels houdt het daar waarschijnlijk ook mee op.
De pruimen van Jantje horen bij ‘De pruimeboom’, een gedicht van Hieronymus van Alphen (1746‑1803) uit het bundeltje Kleine gedigten voor kinderen uit 1778. De eerste vier regels luiden:
Jantje zag eens pruimen hangen,
o! als eieren zo groot.
’t Scheen dat Jantje wou gaan plukken,
schoon zijn vader ’t hem verbood.
Omdat Jantje denkt dat niemand hem ziet, wil hij gaan plukken, maar zijn geweten belet het hem. Blijkbaar denkt hij hardop, want zijn vader die ‘hem stil beluisterd had’ beloont zijn zoontje voor zijn eerlijk gedrag en Jantje mag gaan plukken tot zijn hoed vol zit.
Waarom speciaal dit gedicht het uithangbord is geworden van de hele bundel is niet geheel duidelijk, want er staan meer soortgelijke gedichtjes in, allemaal even stichtelijk en moralistisch. Van Alphen had veel succes met zijn bundeltjes (hij schreef er drie): ze werden in het Frans, Duits, Engels, Fries en Maleis vertaald. Er verschenen tientallen herdrukken, maar vanwege de prijs waren ze eigenlijk alleen weggelegd voor de gegoede burgerij.
De gedichten zijn nu bijna niet meer te pruimen zo braaf, maar ze worden wel beschouwd als een keerpunt in de geschiedenis van het (Nederlandse) kinderboek. Niet omdat ze zo’n succes waren, maar meer vanwege de accenten die Van Alphen legde en de nieuwe wegen die hij insloeg. De bundeltjes waren namelijk de eerste die specifiek voor kinderen waren bedoeld; Van Alphen schreef vanuit de belevingswereld van het kind, dat hij beschouwde als tabula rasa, als onbeschreven blad.
Tot 1700
Enigszins gechargeerd kun je zeggen dat er voor de achttiende eeuw geen kinderen bestonden. Kinderen werden gezien als volwassenen in miniformaat. Kinderboeken zoals wij die nu hebben, bestonden niet.
In de middeleeuwen waren het enkel de kloosterlingen (en hun leerlingen) die lazen, en wel in het Latijn. Middelnederlands kwam als geschreven taal niet veel voor. Voor kinderen had je om het alfabet te leren hooguit de abecedaria, boekjes waarin de letters van het ABC elk een pagina krijgen toebedeeld, de letter met een afbeelding en korte tekst in dichtvorm, en om te leren schrijven de verre voorloper van lei en griffel: wastafeltjes (van bijenwas) waarin ze met een ijzeren stift letters krasten. Als het tafeltje vol was, werd de was weer gladgestreken en kon het opnieuw beschreven worden. Boeken en perkament waren namelijk peperduur. Pas vanaf de dertiende eeuw werd lezen voor jonge burgers uit de betere stand min of meer vanzelfsprekend als gevolg van de groei van de economie in vooral de steden. Daar werd gehandeld, en voor handel is lees- en rekenvaardigheid vereist.
Vanaf het midden van de vijftiende eeuw komt dankzij de ontwikkeling van de boekdrukkunst het boek binnen bereik van meer mensen. Waren het daarvoor de adel en de ridderschap die zich de luxe van boeken konden veroorloven, nu kwamen er meer en meer de gezeten burgers die het boek als statussymbool gingen zien en daar flink voor wilden betalen. Gelezen werd er nog niet veel, ook al omdat de meeste teksten in het Latijn waren geschreven en noch de edellieden, noch de burgerij die taal machtig waren. De jeugd moest het voornamelijk doen met schoolboekjes die in geringe oplagen vervaardigd werden.
Langzamerhand komt er meer op de markt. De grote Rotterdammer Desiderius Erasmus (1466-1536) acht de klassiekers geschikt voor de jongvolwassenen. Hij adviseert welke boeken men kinderen het best kan laten lezen en hij beperkt dat niet tot prozaromans waarin de liefde weliswaar het bindend element vormt, maar waarvoor de didactische werken tegelijkertijd waarschuwen. Want, zo zeggen die didactische werken: de wellust van het vlees is de weg naar de hel. Erasmus heeft namelijk ook niets tegen het vermakelijke: kluchten, anekdoten en biografieën, zoals het leven van Tijl Uilenspiegel of de Reinaert, die in 1479 voor het eerst in druk verschijnt.
Het leesvoer is nog immer erg nuttig, stichtelijk en didactisch van aard. Zelfs de toch vaak vermakelijke fabels en andere dierenverhalen eindigen meestal met een vette moralistische boodschap of met een echte levenswijsheid, bijvoorbeeld dat de machtige rijke de onmachtige en arme altijd goed moet bejegenen.
Na de val van Antwerpen in 1585 ontstaan er ingrijpende sociale en politieke veranderingen. Het noorden van de Nederlanden is protestant, het zuiden katholiek en veel handel verschuift van de zuidelijke naar de noordelijke Nederlanden. De nieuwe inzichten uit het humanisme en de reformatie werken door in de jeugdliteratuur van de zeventiende eeuw. Een van de pijlers van de reformatie is dat iedereen via de Bijbel zelf rechtstreeks het woord van God tot zich moet kunnen nemen. Met andere woorden: iedereen moet kunnen lezen, en zo veel mogelijk kinderen moeten dus naar school. Het onderwijs is tevens een mogelijkheid om de eigen leer te verbreiden, en dat zie je terug in schoolboekjes en andere voor kinderen bedoelde boeken.
In de zeventiende eeuw komt het culturele en intellectuele leven tot ongekende bloei. De Republiek der Zeven Verenigde Nederlanden kent veel boekdrukkers, onderwijzers, uitgevers en boekhandelaren, en de goedkope herdrukken zijn bij wijze van spreken niet aan te slepen. Voor kinderen is er eveneens genoeg op leesgebied. De eerste ‘echte’ kinderboeken zijn religieuze kinderliedjes en tranentrekkende verhalen over bekeringen. Leuker zijn de losbladige prenten van ambachten, feestdagen en dieren met begeleidende tekstjes.
Zo gaan de ontwikkelingen die in de zestiende eeuw op gang zijn gekomen door in de zeventiende, soms tot in de achttiende eeuw. In trek blijven de schoolboekjes, prozaromans, abecedaria, raadsel- en gedragsboekjes. Antieke en historische verhaalstof was ruim voorhanden, bijvoorbeeld over de Tachtigjarige Oorlog (1568 ‑1648). De strijd tegen de Spanjaarden bevatte genoeg heldendaden, wreedheden en spectaculaire belegeringen om talloze boeken mee te vullen. Zelfs in onze tijd levert die oorlog nog stof voor historische kinderboeken.
Pas in de achttiende eeuw, de eeuw van de Verlichting, zien we essentiële veranderingen. Dan komt de idee op dat een goed geïnformeerd mens ook een beter mens wordt, en dit leidt tot een heilig geloof in de maakbaarheid van de mens. Met andere woorden: kennis staat gelijk aan deugd en diezelfde deugd is de belofte voor geluk. Een optimistische levensvisie dus: het goede weten staat gelijk aan het goede doen. De gewelddadige Franse Revolutie van 1789 liet al die schoolmeesters en dominees niet van hun geloof vallen. Ze waren overtuigd van hun gelijk. De Engelse filosoof John Locke ging er in tegenstelling tot veel van zijn tijdgenoten niet van uit dat kennis aangeboren is. Hij was een aanhanger van het rationalisme: de mens is volgens hem een tabula rasa (daar is het tafeltje van was weer), een onbeschreven blad dat met kennis gevuld moet worden. In zijn boek Some thoughts concerning education uit 1693 legde hij veel van zijn opvoedingsideeën vast.
Achttiende eeuw
Dat de Franse pedagoog Jean-Jacques Rousseau wel deels, maar niet helemaal meeging met de ideeën van Locke, heeft met de tijd te maken. Langzamerhand maakte namelijk het uitgesproken rationalisme ruimte voor opvattingen die voortkomen uit de romantiek, waarin veel meer plaats is voor het gevoel en de natuur. Het is dan ook niet zo gek dat Rousseau vond dat boeken een slechte invloed hadden op kinderen en dat hij uitging van de zogenoemde natuurlijke opvoeding. In zijn boek Emile, ou de l’Education (1762) laat hij Emile opgroeien ver buiten de menselijke samenleving.
Voor één boek maakte Rousseau een uitzondering: Robinson Crusoe van Daniel Defoe, het boek uit 1719 dat oorspronkelijk voor volwassenen was geschreven maar ook al snel zijn weg vond naar kinderen.
Het is niet vreemd dat Rousseau juist voor dit boek een uitzondering maakt, want de schipbreukeling Robinson blijft door twee dingen in leven: de natuur en zijn verstand. Met andere woorden: in dit boek gaan romantiek en rationalisme hand in hand. Robinson Crusoe is tevens een van de vele voorbeelden van klassieke kinderboeken die ooit voor volwassenen geschreven werden en in bewerking voor kinderen geschikt werden gemaakt. Het boek verscheen in 1720 in Nederland en was ook hier een groot succes. Al snel verschenen er in allerlei landen navolgingen die de benaming robinsonades kregen. Ook nu nog wordt een boek waarin de hoofdpersoon ‘alleen op de wereld is’ en op enige manier letterlijk of figuurlijk moet zien te overleven een robinsonade genoemd. Hedendaagse voorbeelden zijn Het eiland in de Vogelstraat van Uri Orlev en Abels eiland van William Steig.
Negentiende eeuw
De negentiende eeuw is van grote betekenis geweest voor het kinderboek. Dankzij technische verbeteringen aan met name de drukpers konden op eenvoudiger wijze sneller en dus goedkoper boeken worden gemaakt.
Oude genres als de abc-boeken en de centsprenten verdwijnen en nieuwe genres komen op, bijvoorbeeld de historische jeugdroman en modernere vormen van het prentenboek. Meer en meer staat de kinderboekenschrijver niet boven, maar naast het kind (wat ook weer niet wil zeggen dat het moralisme geheel en al verdwijnt uit het kinderboek).
Nicolaas Anslijn (1777-1838) bijvoorbeeld, schoolmeester van professie, schrijft met De Brave Hendrik (1810) een sterk moralistisch kinderboek. Hendrik is een gehoorzaam, hulpvaardig, godvruchtig, vlijtig en een tevreden jongetje dat van zijn ouders houdt en hen altijd gehoorzaamt. In de wereld van Hendrik ligt de nadruk op het huiselijke, op het gezin als onwrikbare hoeksteen van de samenleving. In 1877 waren er van het boek al zestig drukken verschenen. Belangstelling volop dus nog voor het opvoedkundige in het kinderboek.
Daarnaast waren er ook boeken die puur bedoeld waren om kinderen te vermaken. De in 1858 geboren onderwijzer Cornelis Johannes Kieviet begon verhalen te schrijven omdat hij vond dat er zo weinig aantrekkelijke boeken voor kinderen waren. En net als schrijvende onderwijzers na hem las hij die verhalen eerst aan zijn eigen leerlingen voor. Zijn beroemdste boek is Uit het leven van Dik Trom, dat eerst door een aantal uitgevers werd geweigerd vanwege de kwajongensstreken en door wat zij zagen als kritiek op het gezag (veldwachter Flipsen). Een ander – historisch – boek van Kieviet dat hoog gewaardeerd werd, was Fulco de minstreel.
Ondertussen vinden er in de negentiende eeuw elders in de wereld veel meer ontwikkelingen plaats in het kinderboek. Harriet Beecher Stowe had geen literaire aspiraties toen ze begon aan het feuilleton Uncle Tom’s Cabine, dat verscheen in de krant The National Era. Ze wilde op de eerste plaats haar afkeer kenbaar maken van de slavernij in Amerika. En dat lukte. Vooral nadat in 1852 het boek verscheen, liepen de tegenstellingen tussen Noord en Zuid zo op dat het leidde tot de Amerikaanse Burgeroorlog en uiteindelijk tot de afschaffing van de slavernij in 1863. Het op feiten gebaseerde De hut van Oom Tom verscheen bij ons in 1853.
Geheel anders van toon en taal, maar minstens zo beroemd is Alice in Wonderland (1864) van Lewis Carroll. Oorspronkelijk schreef hij het voor Alice Church, een buurmeisje met wie hij geregeld een boottochtje maakte. Hij maakte haar tot hoofdpersoon van het verhaal, waarvan de opzet nogal simpel is: Alice rent op een dag een konijn achterna, valt in een gat en belandt in een wonderbaarlijke wereld waarin ze allerlei bizarre avonturen beleeft. Alles blijkt uiteindelijk een droom geweest. Alice in Wonderland is vooral zo bijzonder door de taal: woordspelingen, taalgrapjes, denkspelletjes, vreemde gedachtesprongen, raadsels en symbolen. Vertalers hebben er in de loop van de jaren hun handen aan vol gehad en diverse deskundigen hebben het boek op talloze manieren geïnterpreteerd en van commentaar voorzien. Juist door die bijzondere taal en het raadselachtige is het na al die jaren nog zeer leesbaar.
Weer geheel anders is het boek waarmee Carlo Lorenzini de wereld heeft veroverd: De avonturen van Pinokkio (1883). Onder het pseudoniem Carlo Collodi schiep hij zijn hoofdfiguur, de uit hout gesneden marionet wiens neus langer wordt als hij liegt. Het boek sprak en spreekt kinderen over de hele wereld aan vanwege de ondeugende streken die Pinokkio uithaalt. Hij is brutaal, ondeugend, lust niet alles en kan niet zonder avontuur. Tot slot komt hij tot inkeer, en zijn beloning daarvoor is dat hij een lief jongetje van vlees en bloed wordt. (In de oorspronkelijke versie wordt hij overigens opgehangen aan een boom.) Door volwassenen werd het verhaal in die tijd ook wel gewaardeerd vanwege de verborgen satire: de rijken en de domkoppen hebben het voor het zeggen en leven er goed van, de gewone man is arm en moet bedelen.
Andere grote namen uit de negentiende eeuw zijn Louisa May Alcott van Onder moeders vleugels (1868), Heinrich Hoffmann van Piet de Smeerpoets (1845), Rudyard Kipling van Het jungleboek (twee delen in 1894 en 1895), Karl May van onder andere de boeken over Winnetou (rond 1880), Mark Twain van De avonturen van Tom Sawyer (1876) en De avonturen van Huckleberry Finn, Robert Louis Stevenson van Schateiland (1883), Jules Verne van avontuurlijke boeken als Vijf weken in een luchtballon (1863) en De reis om de wereld in tachtig dagen (1873) en Rodolphe Töpffer, de geestelijk vader van Prikkebeen.
De talloze malen herdrukte en bewerkte boeken Alleen op de wereld en Nils Holgerssons wonderbare reis hebben twee overeenkomsten: beide boeken werden in opdracht geschreven. Selma Lagerlöf, die in 1909 als eerste vrouw de Nobelprijs voor de literatuur ontving, schreef welgeteld één kinderboek: Nils Holgerssons underbare resa genom Sverige. Uit de titel blijkt al dat het boek over Zweden gaat. Lagerlöf was gevraagd om voor de Zweedse schooljeugd een boek over Zweden te maken met aardrijkskundige, biologische en volkenkundige wetenswaardigheden erin. Niels, de hoofdpersoon, wordt als straf voor het pesten van een kabouter zelf in een Kleinduimpje veranderd en meegevoerd met de ganzen op hun tocht naar het hoge noorden. Tijdens de reis evolueert Niels van een klein, egoïstisch ventje in een dapper en onbaatzuchtig jochie. Eigenlijk valt het boek net over de grens van de eeuw, want het kwam in het begin van de twintigste eeuw (1906) uit.
Ook Hector Malot schreef zijn Sans famille (1878) in opdracht. Uitgever Hetzel vroeg hem een boek te schrijven dat de lezer door heel Frankrijk zou voeren. De 8-jarige Remi doet dit niet op de rug van een gans, maar in gezelschap van straatmuzikant Vitalis, die met een troepje dieren door het land trekt. Zo maakt de lezer in Alleen op de wereld kennis met allerlei geografische wetenswaardigheden van Frankrijk. Maar Malot had ook oog voor de beroerde omstandigheden waarin veel mensen in de tweede helft van de negentiende eeuw leefden. In de diverse bewerkingen die het boek in de loop der jaren onderging, kwam behalve de spanning ook het sentiment steeds meer op de voorgrond te staan.
Twintigste eeuw
Nils Holgersson en Alleen op de wereld waren beide weliswaar echte kinderboeken, maar wel met een sterk educatieve bedoeling en niet in de eerste plaats bedoeld om kinderen leesplezier te bieden. Veel andere intussen beroemde kinderboeken waren eigenlijk oorspronkelijk voor volwassenen bedoeld.
Geleidelijk aan kregen toch de echte kinderboeken de overhand. Het grote succesverhaal School-Idyllen (1900) van Anthonetta (Top) Naeff is meer een jeugdboek dan een kinderboek. Hoewel Naeff vond dat ze in de eerste plaats voor volwassenen schreef, is ze vooral bekend gebleven vanwege dit boek. De kritieken loofden voornamelijk haar vlotte manier van schrijven, het opstandige karakter van de 17-jarige hoofdpersoon Jet van Marle en de onorthodoxe wijze waarop Naeff de vroege dood van Jet beschrijft.
Ruim tien jaar later had Christiaan van Abkoude veel succes met zijn Pietje Bell of de lotgevallen van een ondeugende jongen, dat in 1914 verscheen. Alle pedagogen die erover heen vielen omdat het opstandig gedrag zou stimuleren, hebben waarschijnlijk behoorlijk bijgedragen aan het succes ervan. Lange tijd mocht het niet opgenomen worden in de openbare bibliotheken, maar bij kinderen was het boek met de ondeugende streken van Pietje (die in dezelfde Rotterdamse volksbuurt opgroeide als zijn geestelijk vader) mateloos populair, ook al omdat het geschreven is vanuit het perspectief van een kind. Misschien is Kruimeltje, het happy-end-verhaal van een Rotterdams zwerfkind, intussen bekender geworden, mede dankzij de succesvolle verfilming
Kwajongensstreken zoals in Pietje Bell zijn al vaak de x-factor gebleken om een (jongens)boek tot een topper te maken. Niet alleen Kieviet en Van Abkoude hebben dat bewezen. Hotze de Roos (1909-1991) moest er dan wel meer dan zestig delen voor schrijven, maar van zijn serie over de Kameleon verkocht hij er toch maar mooi meer dan zestig miljoen. De boeken over de tweeling Hielke en Sietse Klinkhamer, waarvan het eerste deel in 1948 uitkwam en die in de literaire kritiek neergesabeld werden, gingen als de spreekwoordelijke warme broodjes over de toonbank. Na de dood van Hotze schreef de directeur van uitgeverij Kluitman onder pseudoniem de serie maar zelf verder.
Een soortgelijk verhaal kan verteld worden over de serie over Bob Stanhope, alias Arendsoog, geschreven door eerst vader Johannes, die 20 delen schreef, en later zoon Paulus Nowee, die na de dood van zijn vader in 1958 nog eens 43 delen aan de reeks toevoegde. Net als de Kameleons oogstten de Arendsogen weinig literaire waardering, maar waren ze zeer geliefd. Niet in het minst in katholieke milieus, want Arendsoog was waarschijnlijk de eerste katholieke cowboy in jongensboekenland, die bovendien zijn revolver alleen gebruikte om zijn tegenstander uit te schakelen, en niet om hem te doden.
Meer van dit soort avonturenboeken werden in de loop van de twintigste eeuw geschreven door onder andere Willy van der Heide (Bob Evers-serie), Carel Beke (Pim Pandoer-serie) en Wim van Helden (commissaris Achterberg-serie).
Met de werkelijkheid van alledag hadden die spannende, lekker lezende en soms best goed geschreven avonturenboeken weinig te maken. Dat veranderde drastisch na de Tweede Wereldoorlog (1939-1945). De hele wereld was op zijn kop gezet door wat er in die jaren gebeurd was, en dat vond zijn weerslag in de kunst, in de literatuur en ook in de kinderliteratuur.
De gezagsverhoudingen tussen kinderen en volwassenen waren niet meer zo strikt als voorheen, kinderen kregen veel meer een eigen stem, ook in het kinderboek. Taboes werden geslecht en discutabele en gevoelige thema’s werden nadrukkelijk aan de orde gesteld. Wie van de grote kinderboekenschrijvers in het buitenland en in Nederland de absolute wegbereiders waren, is moeilijk te zeggen, maar er zijn zeker auteurs geweest die baanbrekend werk verricht hebben, zonder dat dat opzettelijk gebeurde: Astrid Lindgren en Annie M.G. Schmidt.
Astrid Lindgren (1907-2002) mag als onbetwiste koningin van de kinderliteratuur gerust de rij openen. De Zweedse schrijfster publiceerde meer dan dertig boeken, die over de hele wereld zijn vertaald. Haar werk werd bekroond met onder meer de Zweedse Staatsprijs voor literatuur en de Hans Christian Andersenprijs (een soort Nobelprijs voor kinderliteratuur). Haar superster is Pippi Langkous (1952): eigengereid, zelfstandig, tegendraads en ondernemend. En uitzonderlijk sterk. Aan conventies heeft ze een broertje dood. Ze woont alleen in Villa Kakelbont en ze gaat wel naar school, maar alleen ze zin heeft. Typisch een meisje van de naoorlogse generatie? In ieder geval een identificatie-object voor generaties kinderen. De thema’s in De gebroeders Leeuwenhart en Ronja de roversdochter, twee andere beroemde boeken van Lindgren, zijn geheel anders. Angsten overwinnen, liefde, leven na de dood, vriendschap, goed en kwaad spelen belangrijke rollen in deze twee prachtige verhalen. De gebroeders Leeuwenhart bracht indertijd nogal wat opschudding teweeg omdat Lindgren in dit boek de zelfgekozen dood zou propageren. Lindgren zelf vond het een ‘troostboek’ en heeft eens verteld dat zij met haar verhalen nooit een bedoeling had.
Dat had Annie M.G. Schmidt (1911-1995) zeker wel, hoewel ze die niet uitte met grote woorden. Haar lichte anarchisme in bijvoorbeeld de versjes in ‘Ik ben lekker stout’, haar luchtige spot met kleinburgerlijkheid en de milde maatschappijkritiek in onder andere Het schaap Veronica, Pluk van de Petteflet (wie kent het niet?), Otje en Het fornuis moet weg zijn nooit scherp of drammerig, maar altijd humoristisch en relativerend.
In beschouwingen over de naoorlogse kinderliteratuur wordt vaak gewezen op de veranderde toon en de scherpere en kunstiger stijl. Annie Schmidt kan op al die kwalificaties aanspraak maken, zowel met haar gedichten als met haar proza. Voor het geestige en originele Minoes (1970) kreeg ze bijvoorbeeld de prijs voor het beste kinderboek, de voorloper van de Gouden Griffel. Zoals ze wel vaker deed, stak Schmidt in dit boek de draak met gewichtigdoenerij en is ze in de eerste plaats solidair met het kind, en niet met de maatschappij van de volwassenen. Vanuit dat perspectief schreef ze ook, in tegenstelling tot veel andere kinderboekenschrijvers van voor de oorlog die de volwassenenmaatschappij als norm hadden. Net als haar grote voorgangster Lindgren kreeg Schmidt in 1988 de Hans Christian Andersenprijs.
Nog wat verder gaat Guus Kuijer, die zelfs een lichte tot scherpe afkeer vertoont van de maatschappij der volwassenen. In zijn boek Hoe Mieke Mom haar maffe moeder vindt (1976; ‘MOM’ staat voor ‘Moeilijk Opvoedbaar Meisje’) draait hij zelfs alles om: de enige ‘normale’ mensen zitten in het gekkenhuis waar Mieke door de rechter naartoe wordt gestuurd. Daar doen mensen gewoon, zijn ze aardig voor elkaar en voor Mieke.
De beroemdste boeken van Kuijer zijn de vijf delen over zijn hoofdpersoon Madelief, waarvan het eerste, Met de poppen gooien, in 1976 direct met een Gouden Griffel bekroond werd. De onbevangenheid waarmee Madelief kijkt naar mens en maatschappij is exemplarisch voor hoe Kuijer schrijft en denkt. In combinatie met zijn briljante manier van schrijven, maakt dat hem tot een van de grootste kinderboekenauteurs van na de Tweede Wereldoorlog die terecht alle belangrijkste prijzen kreeg, waaronder in 2012 de grote Zweedse Astrid Lindgrenprijs. Veel van zijn boeken werden verfilmd.
Zo is het kind in de tweede helft van de twintigste eeuw op heel eigen en soms eigenwijze manier aanwezig in het kinderboek. In andere situaties dan voor de oorlog, in een andere gezinssamenstelling en met andere gezagsverhoudingen. Roldoorbreking, maatschappijkritiek en de cultuur van allochtone bevolkingsgroepen eisten hun plaats op. Het kinderboek is definitief veranderd en geheel en al volwassen geworden.