Hoofdstuk 10
Argumenten
Er zijn weliswaar geen echt objectieve criteria om literatuur te beoordelen of te onderscheiden van lectuur, maar er zijn wel enkele veelgebruikte argumenten die goed of minder goed ook als handvat kunnen dienen: het emotivistische, het morele, het structurele, het realistische, het stilistische en het intentionele argument. Hier vind je een bespreking van deze en andere argumenten.
Literatuur of lectuur
Geregeld kom je in de vakliteratuur over de literaire competentie de begrippen narratologische vaardigheden of narratieve teksten tegen. In het referentiekader taal staat bijvoorbeeld dat leerlingen in staat moeten zijn ‘fictionele, narratieve en literaire teksten’ te lezen. Onder ‘fictionele teksten’ worden teksten verstaan die verzonnen zijn en bedoeld om te ontspannen, de fantasie te prikkelen, te genieten, de emoties een plek te geven en eigen normen en waarden te toetsen. Hiertoe behoren onder andere poëzie, verhalen en romans. Voldoen de laatste genres aan bepaalde kwaliteitseisen, dan spreekt men van ‘literaire’ teksten. Niet-literaire teksten zouden dan een voorspelbare plot hebben, goedkope humor bevatten, slecht uitgewerkte en stereotiepe karakters in een schijnwerkelijkheid beschrijven, enzovoort.
Dat er over het verschil tussen literair en niet-literair getwist kan worden, hoeft geen nadere toelichting: ook als het over boeken gaat, is er nog altijd zoiets als persoonlijke smaak. Toch betekent dat ook weer dat er verder niets over te zeggen zou zijn. Er zijn weliswaar geen echt objectieve criteria om literatuur te beoordelen of te onderscheiden van lectuur, maar er zijn wel enkele veelgebruikte argumenten die goed of minder goed ook als handvat kunnen dienen:
- Het emotivistische argument wordt door de lezer gehanteerd: raakt het boek mij, wat vind ik er in eerste instantie van? Dan krijg je uitspraken als: Ik vind er niks aan, Geweldig boek!, Saaaaai of Prachtig verhaal! Een erg persoonlijk oordeel dus vanuit het gevoel, vanuit de emotie tijdens en na het lezen. Een absoluut subjectief argument dus.
- Het morele argument is sterk gerelateerd aan omstandigheden als opvoeding, cultuur en land. De lezer geeft een oordeel op ethische gronden. Dat mondt uit in uitspraken als: Wat een vies boek!, Dit is godslastering!, Zelfmoord hoort niet in een kinderboek of Het is een racistisch verhaal. Meestal worden morele argumenten gehanteerd als het gaat over godsdienst, seksualiteit, politieke opvattingen en dergelijke. Een moreel argument heeft dus niet zozeer betrekking op het verhaal zelf, maar meer op de ideeën die eraan ten grondslag zouden liggen. Over morele zaken kunnen de meningen sterk uiteenlopen, zoals blijkt in de zich al jaren voortslepende discussie over hoe de knecht van Sinterklaas eruit moet zien. Het morele argument is niet erg objectief.
- Het structurele argument heeft betrekking op de opbouw van het verhaal, de logische samenhang. Als alles als los zand aan elkaar hangt, zal dat negatief beoordeeld worden. Heb je enige studie gemaakt van hoe de structuur van een goed verhaal in elkaar hoort te zitten, dan zou je van dit argument kunnen vinden dat het in ieder geval minder subjectief is dan het emotivistische argument en het morele argument. Indien je bijvoorbeeld duidelijk kunt maken dat een bepaalde passage weinig tot niets te maken heeft met de grote lijn van het verhaal, dan kun je zeggen dat je redelijk objectief bezig bent.
- Het realistisch argument wordt in stelling gebracht als men een verhaal ongeloofwaardig vindt. De lezer gebruikt dan als argument: Dit zou in het echte leven nooit zou kunnen. Ook al hoeft een fictief verhaal niet realistisch te zijn, deze lezer vindt toch dat het voorstelbaar moet zijn. Dat leidt tot de paradoxale mogelijkheid dat lezers een volledig gefantaseerd verhaal toch geloofwaardig en waarheidsgetrouw kunnen vinden. Vaak betekent dit dat het zo goed is geschreven dat je niet het gevoel hebt dat het van irreële gebeurtenissen aan elkaar hangt. Geloofwaardige fantasie dus, zoals in de boeken over Harry Potter. Zo kan zelfs een sprookje toch vrij realistisch overkomen bij de lezer, omdat je erin kunt geloven. In een historisch verhaal ligt het weer anders. Daar moeten de historische gebeurtenissen waarheidsgetrouw zijn om realistisch te blijven. Als een hoofdfiguur in een verhaal dat in de zeventiende eeuw speelt op zijn digitale horloge kijkt, is het verhaal op slag niet meer realistisch. Al met al is dit argument redelijk objectief te noemen.
- Het vernieuwingselement wordt gebruikt als de lezer een boek origineel vindt. Dat vernieuwende kan in de stijl zitten, in de onderwerpkeuze, de uitvoering, het perspectief, het gebruik van tijd, enzovoort. Indertijd werd het bekende prentenboek Rupsje Nooitgenoeg bijvoorbeeld geprezen vanwege de originele uitvoering (met de rups die zich letterlijk door de bladzijden heen vreet). Het problematische bij dit argument is dat de beoordelaar een schat aan leeservaring moet hebben om te kunnen beoordelen of iets wel of niet vernieuwend is. Als hij daarover beschikt, dan is dit een behoorlijk objectief argument.
- Het stilistisch argument heeft te maken met de woordkeus, de gehanteerde stijlfiguren of bijvoorbeeld de zinsbouw. Dat laatste wil niet zeggen dat een boek vol met lange, meanderende zinnen daardoor ‘goed’ gevonden wordt ‒ misschien wel erg ‘literair’, maar lastig te lezen of te zeurderig van toon. Dit argument is lastig objectief te noemen, omdat de waardering sterk afhangt van de persoonlijke voorkeur van de lezer. De één houdt van veel korte zinnen, de ander verliest zich graag in zinnen van regels lang.
- Het intentioneel argument is gevaarlijk om te hanteren, omdat de intentie, de bedoeling die de schrijver met het boek gehad zou kunnen hebben, alleen uit het verhaal zelf te halen is, tenzij je de schrijver persoonlijk kunt vragen of hij inderdaad de bedoeling had die jij in het verhaal hebt gezien. Het is ook een kwestie vaak van interpreteren: op grond van verhaalelementen interpreteert de één misschien dat het de bedoeling van de schrijver was om een verhaal over ‘wraak’ te schrijven, maar de ander dat het om ‘verwerking van een trauma’ ging.
- De leeservaring van de lezer is niet echt een argument, maar speelt wel een grote rol bij de beoordeling. Iemand die slechts enkele boeken gelezen heeft, zal bijvoorbeeld een boek sneller origineel vinden dan een veellezer die hetzelfde al vele malen is tegengekomen.
Narratieve teksten vallen onder fictie. Het zijn altijd teksten met een verhalend karakter, die dus met literaire argumenten beoordeeld kunnen worden. Literair competente lezers hebben inzicht in de manier waarop een verhaal verteld is en kunnen in meer of mindere mate dergelijke argumenten gebruiken.
Professionele beoordelaars hanteren in hun beoordeling natuurlijk ook dit soort argumenten om hun recensie te onderbouwen. Slechts beweren dat je het boek ‘erg mooi’ of ‘zeer slecht’ vond, is niet voldoende.
Enigszins anders is het beoordelen van kinderboeken op grond van literaire, pedagogische of ideologische argumenten. Met name literair georiënteerde beoordelaars vinden het onjuist om kinderboeken te beoordelen op grond van pedagogische of ideologische argumenten. Een fictieve tekst, zo vinden zij, moet louter met literaire argumenten te lijf worden gegaan. Anderen vinden dat pedagogische of ideologische argumenten zeker voor kinderboeken gehanteerd mogen worden. Immers, kinderboeken mogen ook wel een zekere opvoedkundige of ideologische waarde hebben. Tussen de regels door mag een kinderboek best duidelijk maken dat pesten bijvoorbeeld een slechte bezigheid is. Zolang dat er allemaal maar niet te dik bovenop ligt, hebben literaire beoordelaars hier ook niet veel moeite mee, maar een kinderboek heeft niet per definitie als bedoeling een pedagogische of ideologische boodschap over te brengen.
We geven een paar voorbeelden van recensies van jeugdliteratuur. Welk(e) argument(en) gebruikt de recensent?
Over de Gouden Griffel-winnaar 2017 Koos Meinderts’ boek Naar het noorden schreef de jury:
- ‘Een prachtig boek met gedurfd slot waarin Meinderts in sobere taal een indringend beeld van de ontwikkeling van een jongen in oorlogstijd geeft’.
Over Schildpadden tot in het oneindige van John Green schreef NRC-recensent Thomas de Veen:
- ‘Vijfenhalf jaar na The Fault in Our Stars is John Green terug met een nieuwe roman – meteen ook in vertaling, voor de fans overal ter wereld. En wat zij in Schildpadden tot in het oneindige hopen te vinden, zit er allemaal weer in. Verbaal hoogbegaafde personages, een raadsel met avontuurpotentie, een love interest, nerdy grappen, veel gevoel (dat te intelligent beschreven is om sentimenteel te zijn) en heel veel lekker Amerikaanse autoritjes met tieners achter het stuur. Maar ook: Greens originaliteit en literaire zelfbewustzijn. Zijn verhalen begeven zich op het terrein van het highschool-tienerverhaal waarin een eigen identiteit gezocht wordt, maar weigeren de platgetreden paden te volgen. John Green (1977) denkt verder: zijn boeken boren filosofische diepten aan en tonen poëtische vergezichten die maar weinig young adult-schrijvers opzoeken.
- Het beste aan Schildpadden tot in het oneindige is nieuw en anders in het Green-universum: het probleem van hoofdpersoon Aza. Ze lijdt aan een obsessief-compulsieve stoornis en begint het boek, haar verhaal, dan ook met het moment “dat ik voor het eerst besefte dat ik weleens fictief zou kunnen zijn”, terwijl ze luncht “in opdracht van machten die zoveel groter waren dan ikzelf”. Een personage dat beseft dat ze fictief is – dat klinkt als een typisch nerdy geintje van Green. Die immers wereldberoemd werd dankzij Een weeffout in onze sterren (2012), waarin de personages hun lievelingsschrijver ontmoetten die een enorme hork bleek – en zo van alles leerden over de betekenis die fictie ondanks zijn verzonnenheid kan hebben.
- Maar Aza’s angst is serieus. Het lijden – hoofdpersoon Hazel uit Een weeffout had kanker en zag de dood naderen – benadert Green nu op een ander niveau: Aza moet doorleven terwijl ze steeds vaker in de ban raakt van dwanggedachten, die haar een diep wantrouwen geven in zichzelf en, vooral, in bacteriën. “Gedachten zijn gewoon een andere soort bacteriën die je koloniseren,” noteert ze, en dat ís in zekere zin zo, maar zij, met haar stoornis, raakt daarvan verstrikt in “gedachtenspiralen”. Hoe dat gaat en wat dat betekent, maakt Green heel knap inzichtelijk.’
Bron: NRC Handelsblad, 10 oktober 2017
Recensent Pjotr van Lenteren schreef over De bijenvader van Esther Sprikkelman:
- ‘Sprikkelman kan schrijven. Het portret van de boerenjongens die zichzelf vermaken met onnozele kaartspelletjes op hun rivierstrandje is meeslepend genoeg. Maar het verloop van het verhaal is voorspelbaar. Henrico heeft nog verkering met Dorothea, de opgefokte dochter van de dominee, en zijn verdwenen oudere broer ging vroeger ook met buurman Homme om. Dat die situatie alleen maar uit de hand kan lopen, snapt een kind. Na de zoveelste vooruitwijzing (“Het is maar een spel.” “O ja?”) duurt het nog lang voor de ramp zich dan eindelijk voltrekt.
Bron: de Volkskrant, 11 maart 2017
Pjotr van Lenteren, recensent van de Volkskrant, schreef over Hanna en ik van Bettina Wegenast en Kerstin Meyer:
- ‘Twee vriendinnen van een jaar of negen doen drie dingen heel erg graag: stickers ruilen, met hun barbies dollen en begrafenisje spelen. Dat begon met parkieten, vermoord door de rat; toen was de rat zelf aan de beurt, omdat die kanker kreeg. Daarna volgden cavia’s, kevers, spinnen, bijen en een poes. Allemaal goed voor een chique begrafenis met toespraak, lied en zelfgemaakt kruis. Maar dan gaat Hanna dood. En de jonge verteller van Hanna en ik, geschreven en geschilderd door de Duitse kinderboekenmakers Bettina Wegenast en Kerstin Meyer, is eregast op de indrukwekkendste begrafenis aller tijden. Alleen is er nu niemand om mee te lachen als de directeur hard zijn neus ophaalt, midden in een pijnlijke stilte. Dat had Hanna ook heel grappig gevonden. Er verschijnen met grote regelmaat kinder- en jeugdboeken over de dood. Een lastig onderwerp, aangezien de meeste kinderboekenschrijvers grote moeite hebben om te kiezen tussen een troostende boodschap en gewoon op hun eigen, unieke manier het verhaal vertellen van een afscheid zoals dat door één individu is beleefd. Alleen in het laatste geval heeft zo’n stervensverhaal een kans van slagen. Want niets is zo dodelijk voor literatuur als bij voorbaat bestempeld te worden tot een lesplan of een pedagogisch hulpmiddel. Daarom is het juist bij dit genre belangrijk teksten alleen te beoordelen op hun artistieke merites en niet de fout te maken ze te roemen om hun inzetbaarheid bij plotseling optredend verdriet. Bij Hanna en ik valt zo’n beoordeling zeker niet tegen. Kort en knap verwoord is de prepuberale verontwaardiging van de vertelster, die haar tranen in eerste instantie overschreeuwt. School is stom, mama is stom, zelfs Hanna is stom, want die probeerde haar mooiste stickers in te pikken en trok haar Pocahontasbarbie altijd de blauwe jurk van Dream-barbie aan. Pas aan het eind van het verhaal gaat ze helemaal alleen naar het kruis van Hanna, strooit er chips over uit en begraaft er die blauwe jurk die ze zo graag wilde hebben. Ook de met waterverf ingekleurde pentekeningen zijn precies goed. Net als in de tekst is de uitstraling van een dagboek met tekeningetjes heel onnadrukkelijk. Je mág Hanna en ik lezen als een zelfhulpschrift, maar het hóeft niet. Subtiel zijn de kleine sfeerverschillen tussen de vrolijke en de minder vrolijke delen van het boek, die de illustrator bijna tot een verteller op zichzelf maken. We zien niet vaak dat de nuances van tekst en tekeningen zo naadloos op elkaar aansluiten. En dat is uiteindelijk wat het meest bevalt aan dit boekje: de onnadrukkelijke, ontegenzeglijk eigen, maar perfect bij elkaar passende stemmen die de beide auteurs hebben gevonden. Onze oosterburen, onder wie ook Rotraut Susanne Berner en Philip Waechter, zijn hier bijzonder goed in: authenticiteit zonder opdringerigheid. Daar kunnen we in Nederland nog wat van leren.’
Bron: de Volkskrant, 21 augustus 2009
Thomas de Veen schrijft over het Sabel van Suzanne Wouda:
- ‘Het Holocaustkinderboek Sabel van Suzanne Wouda is goed geschreven en daarom te prijzen. Maar een “goed” boek? Uiteindelijk blijft een heikel moreel vraagstuk aan het boek kleven: hoe hoopvol wil je een kinderboek maken, als het over de Holocaust gaat? Wat vertellen we daarover aan onze kinderen?
In kinderboeken is hoop een principekwestie – ik ben nog nooit een kinderboekenschrijver tegengekomen die niet zei dat je over een moeilijk onderwerp uiteindelijk met een dosis hoop moet vertellen. Maar het wordt me te gortig met de hoopvolle moraal van Suzanne Wouda, in haar vierde kinderboek.
Sabel gaat over de Joodse Max, die we volgen op twee afwisselende sporen: er is het verhaal van zijn tijd in Kamp Vught, en er is het verhaal van hoe hij daar terechtkwam, van een Amsterdamse jongen die zijn vrijheid ingeperkt ziet worden, moet onderduiken, gepakt wordt. Dat tweede verhaal vertelt Wouda met een scherpte die je zowel treffend als educatief moet noemen. “Papa?” vraagt Max. “Waarom haten ze ons?” Met zo’n omweggetje toon je snel en doelmatig hoe de Jodenvervolging in Nederland begon – en een tikje sentimenteel.
Maar de ambitie van Wouda is allereerst literair, en niet sentimenteel: vooral de lotgevallen van een rode kater die Sabel heet bepalen de loop van het verhaal. Dat begint op de eerste bladzijde al met een “rode flits”, die onder het prikkeldraad van Kamp Vught door schiet: “Als Sabel niet wil dat je hem ziet, zie je hem niet.” Dat zijn goede, slinkse vooruitwijzingen naar een clou die je als (jonge) lezer pas gaandeweg doorkrijgt: Max klampt zich aan zijn kat vast en zoekt onder de andere kinderen in het kamp alvast een surrogaatbaasje, voor als hij op transport zou moeten. Maar – en ik moet voor een volledige beoordeling toch echt die clou verklappen – dat is allemaal verbeelding. Er is geen kat in het kamp; die is achtergebleven op het onderduikadres. De kinderen doen alsof.
Wat Wouda daarmee doet, doet sterk denken aan de film La vita è bella van Roberto Benigni. Het leven was in die film zó ondraaglijk (in een concentratiekamp) dat een vader zich wendde tot verzinsels en zo de goede moed er bij zijn zoon in hield. Wouda geeft haar jonge lezers in Sabel ook zo’n escape van hoop. Die moraal stáát er zelfs letterlijk, vlak voor het einde. Dan “begrijpt” Max het ineens: “Hoe erg alles ook is, we vinden altijd een oplossing. Als we volhouden en op God vertrouwen, wordt alles weer als vroeger. Of beter zelfs.”
Even los van de verrassende deus ex machina (moet je het godsvertrouwen in de tijd plaatsen of is dit een christelijke bekeringsroman?): moeten we Max’ conclusie zien als een wrange truc om extra dramatiek te bewerkstelligen? Omdat Max denkt dat het wel goedkomt, terwijl hij uiteindelijk in de gaskamer belandt? Sabel geeft vooral de indruk dat de boodschap van hoop niet wrang maar oprecht bedoeld is. De helende kracht van de verbeelding, daar gaat het kattenverhaal voortdurend over. En vader vertelde aan Max immers een parabel over hoe gelukkig de armste man van het land wel niet was – hoeveel tegenslag hem ook trof, hij kalefaterde zich telkens weer op. Dat herhaalde literaire motief onderstreept de hoopvolle moraal: in het concentratiekamp scheen soms de zon. En anders verzon je hem en was hij er ook.
Er wás vast hoop onder Joden in concentratiekampen. De mens is tot groot optimisme in staat. Maar om een kind – in een fictief verhaal dat de extreme verschrikkingen van de Holocaust wil uitleggen – nou met zo’n relativering de gaskamer in te laten stappen? Dan sla je als goedbedoelende kinderboekenschrijver wat mij betreft de plank moreel mis.’
Bron: NRC Handelsblad, 4 mei 2017