Portaal

Hoofdstuk 10

Sprookjes

Hier vind je een vergelijking van een moderne sprookjesbewerking met een oudere versie. 

Roodkapje, Sneeuwwitje, Doornroosje en Assepoester: bekende jongedames die in redelijk dramatische omstandigheden leken te verkeren maar uiteindelijk toch allemaal ‘nog lang en gelukkig’ leefden. Het lijkt soms alsof dit het enige is dat er nog van sprookjes is blijven hangen, vaak nadat we uitsluitend de Disney-variant op dvd hebben bekeken.

Met sprookjes is het vaak net als met het Wilhelmus of liedjes van vroeger: de eerste paar regels en het refrein willen nog wel, maar dan... Dat is jammer, want sprookjes behoren net als de klassieke kinderboeken tot het cultuurgoed dat wij geacht worden door te geven.

Volkssprookjes

Paul Biegel schreef in 1977 het kinderboekenweekgeschenk Wie je droomt ben je zelf (met tekeningen van Carl Hollander). Hij schrijft hierover in de inleiding het volgende:

  • ‘Fantasieverhalen en sprookjes komen evenals dromen uit je binnenste. Ook in die verhalen zijn de dingen verkleed. Als koning, als prinses, als draak, als wolf, als dwerg, als reus. Het enige wat de verteller doet, is ze keurig op een rijtje zetten tot een begrijpelijk verhaal. Maar er zit nog een andere betekenis achter het verhaal. Je zou kunnen proberen sprookjes te begrijpen zoals je kunt proberen een droom te begrijpen, om erachter te komen wat er werkelijk in het binnenste van mensen, dus jezelf, leeft. Het verhaal in dit boek is niet nieuw. Als je begint te lezen of naar de tekeningen kijkt, zul je denken: dat ken ik al. Maar dat is ook de bedoeling, want als je het verhaal niet goed kende, zou je ook niet merken dat de verteller iets uit het binnenste ervan naar buiten heeft gehaald: de wolf. De wolf waar je zo bang voor bent, waar je tegen vecht, waar je voor vlucht, dat is niet de wolf in het bos. Het is iets uit je eigen binnenste, verkleed als wolf. Daar gaat het verhaal over: wie je droomt, ben je zelf.’

Biegels verhaal is een vrije bewerking van het sprookje Roodkapje, net zoals het prachtige Zwart als inkt (1997) van Wim Hofman een vrije bewerking is van Sneeuwwitje. Dat boek werd in 1998 bekroond met de Gouden Griffel.

We laten hierna twee totaal verschillende versies van een (gedeelte uit) het sprookje van Sneeuwwitje zien. De eerste is een redelijk originele versie uit Grimm ‒ redelijk, omdat ook de gebroeders Grimm de verhalen die aan hen verteld werden door de bevolking nogal bewerkt opschreven. En mondelinge taal is altijd anders dan de geschreven taal.

Vergelijk je echter deze versie met die van Hofman daarna, dan zijn er veel grote verschillen, waaronder:

  • de omvang (Grimm: 6 bladzijden, Hofman: 180 bladzijden);
  • Grimm: door de omvang lopen verteltijd en vertelde tijd erg uit elkaar. Hofman: door de vele details en uitgebreide dialogen komen verteltijd en vertelde tijd dichter op elkaar;
  • Grimm: het verhaal staat al direct tjokvol symboliek: sneeuwvlokjes die als veertjes uit de hemel dwarrelden, zwart ebbenhout, de koningin prikt zich aan de naald, drie druppels bloed vallen in de sneeuw, Sneeuwwitje is zeven jaar als de hel losbreekt doordat haar stiefmoeder stikjaloers wordt op haar schoonheid.

Zo zijn er bij slechts oppervlakkige bestudering van deze twee versies talloze verschillen op te merken waardoor je moet concluderen dat Hofman weliswaar een prachtige en indringende bewerking van het sprookje van Sneeuwwitje heeft gemaakt, maar een die niet meer lijkt op het origineel.

Wat kennis van de symbolische getallen, kleuren, figuren, voorwerpen kan veel helpen om verschillen te zien tussen originele sprookjes en de talloze bewerkingen die ervan in omloop zijn. Achter in Grimm staan bijvoorbeeld de ‘Aantekeningen’ waarin een hoop verklaard wordt over herkomst, betekenis en symboliek.

Roodkapje en Sneeuwwitje behoren tot de zogenoemde volkssprookjes. Die werden niet door één met naam en toenaam bekende auteur geschreven, maar ooit, ergens, door een anonieme bedenker verteld, wellicht aan zijn of haar kinderen om hen op die manier in te peperen dat je als jong meisje nooit met vreemde mannen mee moet gaan, om duidelijk te maken dat geld niet gelukkig maakt of dat het goede immer wint van het kwade, enzovoort. Die meestal pedagogisch bedoelde verhalen werden doorverteld van generatie op generatie. Zodoende waren ze aan sleet onderhevig: de overbodige franje verdween en wat overbleef was de essentie van het verhaal.

Dat wij de taal van de meeste sprookjes niet meer spreken en dus ook niet meer begrijpen, heeft niet zozeer te maken met het archaïsche taalgebruik, als wel met het feit dat de gebruikte symbolen en beelden waar de sprookjes vol mee zitten ons onbekend zijn. Meestal komen in die volkssprookjes bijvoorbeeld symbolische getallen als 3, 7, 11 en 13 voor, die we nog wel als symbolisch ervaren, maar waarvan we meestal niet meer de achterliggende betekenis kennen. Ook de meeste symbolische kleuren en de zogenoemde archetypische beelden als de wolf, de heks, de gouden bal, de raven en het bos zijn niet echt betekenisvol meer voor ons. Wit kennen we nog wel als de kleur van de onschuld, de heks heeft ook tegenwoordig nog een negatieve betekenis en raven zijn voor sommigen misschien nog altijd angstaanjagende vogels, maar het bos zien we niet meer als een metafoor voor het leven waar je met moeite je weg in moet vinden.

Die oerbeelden kom je bijvoorbeeld ook tegen bij de Zwitserse psycholoog Jung, die veel onderzoek deed naar het collectieve onbewuste en archetypen. Al die symboliek is er door de bedenkers waarschijnlijk niet opzettelijk ingestopt, maar bestond al in de volkscultuur en -verhalen. Jung zag sprookjes dan ook als uiting van het zogenoemd ‘collectief onbewuste’.

Grootheden als de Duitse Jacob en Wilhelm Grimm en de Franse Charles Perrault verzamelden en noteerden de sprookjes op die mensen vertelden. Vaak zie je bij volkssprookjes daarom bronnen vermeld: ‘uit Hessen’, ‘uit de Mainstreek’, ‘uit Lorsch bij Worms’, ‘uit Zwehern, verteld door Frau Viehmann’, enzovoort. De gebroeders Grimm zijn de samenstellers van de beroemdste sprookjesverzameling ter wereld. De twee delen met Kinder- und Hausmärchen verschenen in respectievelijk 1812 en 1815. Onder invloed van de romantiek waren de broers op zoek naar de wortels van het Duits. Daartoe verzamelden zij bij oude mensen, familie, kennissen en vrienden volksverhalen, sprookjes, sagen en legenden. De essentie van de verhalen lieten de Grimms intact, maar ze gaven er een eigen draai aan. De Sprookjes van Moeder de Gans (1697) van Charles Perrault waren vooral bedoeld als amusement voor volwassenen in de literaire salons.

Hoe, wanneer en waar volkssprookjes precies zijn ontstaan, is onduidelijk. De één beweert dat verschillende varianten van een sprookje voortkomen uit één bron (de monogenetische theorie), de ander zegt dat in een bepaalde tijd op diverse plaatsen (in Europa bijvoorbeeld of in het Midden-Oosten) vergelijkbare verhalen ontstonden met eenzelfde thema (de polygenetische theorie). Een bepaalde tijdgeest die rondwaart kan dan de oorzaak zijn van het feit dat Roodkapje zowel in Frankrijk opduikt (Chaperon Rouge) als in Duitsland (Rottkäpchen) en dat Perrault het later zús en de broers Grimm het zó opschreven.

Cultuursprookjes

De Deense sprookjesschrijver Hans Christian Andersen (1805-1875) is een vertegenwoordiger van de categorie cultuursprookjes. Hij schreef ook gedichten, romans en toneelstukken, maar het bekendst is hij toch geworden met sprookjes als De kleine zeemeermin, De nieuwe kleren van de keizer, Het lelijke kleine eendje en Het meisje met de zwavelstokjes. Dit zijn stuk voor stuk kunstsprookjes of cultuursprookjes, zoals ze genoemd worden, want Andersen bedacht en schreef ze zelf. In 1835 kwam zijn eerste bundel uit, waarmee hij ook beroemd is geworden.

In Nederland is bijvoorbeeld Godfried Bomans een vertegenwoordiger van dit soort sprookjes, net als Louis Couperus. In Engeland hadden we Oscar Wilde en in Duitsland de jong overleden sprookjesverteller Wilhelm Hauff. Allemaal hebben zij wel gebruikgemaakt van motieven, personages en structuren uit volkssprookjes, maar die op hun eigen manier bewerkt.

Dat ook cultuursprookjes nog steeds een bron van inspiratie zijn voor hedendaagse schrijvers, bewijst het succes van de Vlaamse auteur Peter Verhelst, die met het prentenboek Het geheim van de keel van de nachtegaal (illustraties van Carll Cneut) in 2009 zowel de Woutertje Pieterse Prijs en de Gouden Uil Jeugdliteratuurprijs als de Gouden Griffel won. Het boek is een hervertelling van het sprookje De nachtegaal van Andersen.

Literatuur

Hengel, R. van (vertaling) (2005). Grimm. Volledige uitgave van de 200 sprookjes verzameld door de gebroeders Grimm. Lemniscaat, Rotterdam.

Hofman (1997). Zwart als inkt ‒ is het verhaal van Sneeuwwitje en de zeven dwergen. Amsterdam: Querido.