Hoofdstuk 10
Poëzie
Hier vind je meer informatie over poëzie.
Rijmpjes, versjes, liedjes en gedichten: ze worden meestal op één hoop gegooid onder de naam ‘poëzie’. Er is wel verschil tussen die varianten, maar zolang er maar aandacht aan wordt besteed en er elke dag iets uit een prachtbundel wordt voorgelezen, bijvoorbeeld als dagopening of -sluiting, zijn die verschillen voor de basisschool niet zo belangrijk.
Een leerkracht moet echter wel weten wat hij aanbiedt en waarom. In dit onderdeel leggen we daarom aan de hand van de kenmerken uit wat er mogelijk is met:
- versjes
- rijmpjes
- gedichten
Versjes
Een versje kan gezongen worden: er hoort een melodie bij en veel mensen kennen het als liedje. Het bevat rijmklanken die het onthouden versterken, prettige ritmes waardoor het goed gezongen kan worden en met name de oudere liedjes bevatten soms wonderlijke en geheimzinnige taal. Bij veel versjes voor kinderen horen (klap)spelletjes. Liedjes en versjes, maar ook bakerrijmpjes staan aan de basis van onze literaire vorming.
Het volgende versje is erg bekend, maar wie het bedacht heeft, is niet bekend. Bij elk couplet kan met gebaren worden uitgebeeld waarover gezongen wordt, en met een beetje fantasie kunnen er steeds nieuwe coupletten bedacht worden.
’k Zag twee beren broodjes smeren.
O, dat was een wonder!
’t Was een wonder, boven wonder,
dat die beren smeren konden.
Hihihi hahaha, ik stond erbij en ik keek ernaar!
Rijmpjes
Een verhaaltje voor het slapengaan is aan erg jonge kinderen vaak niet besteed, maar simpele opzegversjes en kleine rijmpjes doen het prima. Als het rijmt, lekker loopt en kort en eenvoudig is, dan is het goed. Woordjes die regelmatig terugkeren in het rijmpje worden al gauw mee- en nagezegd. Een plaatje erbij en het feest is compleet. De eenvoudige rijmpjes zijn goed dichtwerk om mee te beginnen.
Bruna is er wereldberoemd mee geworden: vierregelige rijmpjes met een rijmschema a-b-c-b, tekst links, prent rechts, duidelijk, overzichtelijk, goed te begrijpen. Bij elkaar vormen ze vaak een eenvoudig verhaaltje, waarin toch al wat chronologie zit en soms een eenvoudige plot.
zullen wij eens woordjes zoeken
waar een dierennaam bij hoort
feestvarken dat is er eentje
vind je dat niet een leuk woord
Bruna speelt in het boekje waar dit rijmpje uit komt (Ezelsoor, 2000) vervolgens met woorden als driftkikker, huismus, krokodillentranen, dom gansje, apenkop, angsthaas, brombeer, boekenwurm en ezelsoren. Spelen met taal vormt hier dus al een wezenlijk onderdeel van de rijmpjes.
Rijm is meer dan alleen eindrijm in een a-b-c-b-schema. In Kwam dat zien! Kwam dat zien! Querido’s Poëziespektakel 1 (2008) zijn gedichten opgenomen van tientallen dichters. Enkelen van hen vertellen hoe zij werken met rijm.
Jan Boerstoel, een bekend liedjesschrijver, gebruikt rijm omdat het hem dwingt ‘heel goed na te denken over hoe ik iets zeg’. Remco Ekkers houdt niet zo van eindrijm, maar wel van binnenrijm (midden in de zin bijvoorbeeld), want ‘dat kleurt het gedicht zo mooi’. En Patty Scholten vindt een gedicht ‘mooier klinken als het rijmt’. De gedichten van Ingmar Heytze rijmen soms een beetje, maar hij vindt het belangrijker ‘dat ze klinken en dat ze lopen – dus dat ze ritme hebben’. Assonantie (of klinkerrijm) en alliteratie (medeklinkerrijm) worden ook als rijmvormen gezien. (Begrippen als eindrijm, binnenrijm en middenrijm verwijzen naar de plaats in de regels waar het rijm zit: aan het eind van de versregels, binnen een versregel of tussen twee versregels.)
Gedichten
Tot laat in de kleutertijd wordt er volop met gedichten gewerkt, maar allengs wordt dat minder. Het lijkt wel alsof er een zekere schroom is, een ongemotiveerde angst voor de moeilijke en diepzinnige wartaal, zoals poëzie bij sommigen heet.
Dat is jammer, want er kan zo veel met gedichten, ook met de iets minder toegankelijke. Misschien moet je er wat meer moeite voor doen, maar die moeite loont, want je krijgt er schoonheid voor terug: mooie vergelijkingen, scherpe observaties, rake beeldspraak, nadenkertjes, veel inhoud in weinig woorden.
Fraaie voorbeelden vinden we in de bundel Aan de kant, ik ben je oma niet! (2012) van Bette Westera (met illustraties van Sylvia Weve). Met veel humor beschrijft Westera twaalf bejaarden in een tehuis die allemaal zo hun specifieke eigenaardigheden, afwijkingen en gedragingen hebben. De dichteres giet dat steeds in een tweeluik: het eerste gedicht gaat over de bejaarde nú, het tweede over het verleden van de mensen, waaruit meestal een verklaring voor het huidige gedrag kan worden gedestilleerd. Zo lees je twaalf levensverhalen in miniformaat over uiteenlopende thema’s als dood, oorlog, beginnende dementie, eenzaamheid, kinderloosheid en kwalen waarmee oude mensen te kampen krijgen. Een korte en krachtige uitwerking van de thema’s die je in proza nooit zo compact krijgt.
Zo ziet Westera kans om in kort bestek (vijf strofen van vijf regels) te vertellen dat mevrouw Van der Marel door haar dementie zo nu en dan haar verleden als stripteuse laat herleven in het bejaardentehuis.
Mevrouw Van der Marel is negenentachtig
en één meter zevenenzeventig lang.
Ze is elegant en verschrikkelijk aardig,
o, zeker, maar soms doet ze heel eigenaardig.
Dan kleedt ze zich uit op de gang,
Of als ze moet eten, of onder de bingo.
Heel langzaam, ze is sowieso niet zo snel.
Dat knalroze vestje met glimmende knopen,
van glittertjesgaren, gaat helemaal open.
Ze doet het heel sierlijk, dat wel.
Dat ze dementerend is, kan de lezer afleiden uit het feit dat de zusters haar zonen bellen en zeggen: ‘Uw moeder begrijpt niet meer goed wat ze doet.’
Misschien is Westera een beetje de kroonprinses van Annie M.G. Schmidt, want in onderwerpkeuze en in techniek (rijm, ritme, melodie) doet ze sterk denken aan de ongekroonde koningin. Voor haar ‘47 verdichte dierenverhalen’ Ik leer je liedjes van verlangen, en aan je apenstaartje hangen (2010) kreeg Westera een Zilveren Griffel, waarschijnlijk mede vanwege de vaak sublieme woordspelingen in de dierengedichten. Zo laat ze de emoe tegen de aasgier (uit het wilde westen, makelaar in vogelnesten) het volgende zeggen:
‘Doe mij het laagste type maar.
Ik lijd aan hoogtevrees, vandaar.’
Ze nam het nest, ze liet een veer
en zei: ‘Bedankt. Tot ziens, meneer.’
En de pauw wordt volkomen kaalgeplukt door de aasgier, die hem luchtkastelen verkoopt. Daardoor kon de pauw ook niet meer zweven:
Hoe zielig hij het zelf ook vond:
hij zat voor altijd aan de grond.
Dat kinderen niets van poëzie zouden willen weten, is een fabeltje, want wie schreef als kind of als puber niet spontaan gedichten? Gevoelens van onzekerheid, verliefdheid, liefde, eenzaamheid, angst, maar ook van vreugde en onuitsprekelijk geluk kun je vaak het beste kwijt in een gedicht. Poëzie kan dan ook voor kinderen een bron van herkenning en inspiratie zijn.
In het bundeltje Zoen me tot ik spin. Gedichten over de liefde (2011) doen ook dichters voor volwassenen mee. Zelfs de reeds lang overleden Tachtiger Herman Gorter is in zijn eigen spelling vertegenwoordigd.
Zie je ik hou van je,
ik vin je zoo lief en zoo licht –
je oogen zijn zoo vol licht,
ik hou van je, ik hou van je.
Zo kan een gedicht van een dichter uit de negentiende eeuw nog actueel zijn en tegelijk aanleiding om niet alleen te praten over zijn manier van dichten, maar ook over de spelling van toen.
In dezelfde bloemlezing, die in 2012 een Vlag en Wimpel kreeg, probeert ook K. Schippers te vertellen hoe lief hij iemand vindt.
Ja
Ik heb je lief zoals je soms
gelijk een gouden zomerdag bent
nee nee nee
ik heb je lief zoals je bent
nee nee
ik heb je lief zoals
nee
ik heb je lief
Zo’n gedichtje moet toch voor kinderen bij wie voor het eerst de hormonen de overhand krijgen een feest van herkenning zijn? De dichter tracht op poëtische wijze zijn gevoel met vergelijkingen te beschrijven, maar beseft ogenblikkelijk dat dat niet uitdrukt wat hij wil zeggen en voelt. Woorden schieten te kort zogezegd en ten slotte blijft het simpele ‘ik heb je lief’ over.
Tot slot een gedicht van Bas Rompa uit Kwam dat zien! Kwam dat zien! Querido’s Poëziespektakel 1 (2008), waarin enkele van bovengenoemde kenmerken zijn terug te zien.
Droomdag
In vlekken valt nacht
uit elkaar en aarzelend
wordt ochtend zichtbaar
de horizon trekt aan
een lijntje voorzichtig
het hotel uit het zand
De Zeven Uitzichten
genaamd en de kamers
behangen met blauw
je mag komen logeren
wanneer je van uitkijken
en dagdromen houdt.
Literatuur
- Bruna, D. (2000). Ezelsoor. Den Haag: CPNB.
- Lieshout, T. van (2008). Kwam dat zien! Kwam dat zien! Querido’s Poëziespektakel 1. Amsterdam: Querido.
- Westera, B. (2010). Ik leer je liedjes van verlangen, en aan je apenstaartje hangen. Haarlem: Gottmer.
- Westera, B. (2012). Aan de kant, ik ben je oma niet! Haarlem: Gottmer.