Iedereen kan leren schrijven

Vertellen over ervaringen

Associëren op voorwerpen

Ik heb in een SBO middengroep een zak met volstrekt verschillende voorwerpen bij me en deel die willekeurig aan de kinderen uit. Een citroen, een handboor, een strippenkaart, een flesje vitaminepilletjes, een rietje, een tandarts­spiegeltje, een garde, een schuursponsje, een theezakje, een oude sleutel, en zo nog wat spulletjes. Ik vraag steeds een kind op te staan en zijn voorwerp te laten zien. Wie iets heeft dat erbij past, mag samen met dat kind in de kring gaan zitten. Zo komen er meteen al tweetallen. Wat 'erbij passen' precies inhoudt, laat ik aan de kinderen over. Ze bedenken goede argumenten. Het gaat mij er alleen om dat ze de voorwerpen goed zien en er creatief over nadenken.

 

In de kring laat ik ze eerst benoemen wat hun voorwerp is en waar ze het wel eens gezien hebben. Ik doe dat omdat iedereen dat makkelijk kan doen en ik het benoemen dan meteen al gehad heb. Het rondje gaat snel, ik houd het tempo erin. Hierna vertelt iedereen iets waaraan hij/zij moet denken bij het voorwerp in zijn of haar hand. Ik leg uit dat het niet geeft als het niet over het voorwerp zelf gaat en dat alles goed is. Als voorbeeld zeg ik dat je bij de klopper misschien aan de keuken moet denken of aan slagroom, dan mag het dus ook daarover gaan. Sommige kinderen doen het zonder moeite, anderen hebben vragen van mij nodig om verder door te associëren. Vaak begint een kind met iets korts over het voorwerp te zeggen, bijvoorbeeld Aweta: 'mijn moeder wast af met een spons'. Ik vraag dan door naar hoe dat afwassen precies gaat, wie het doen, wat Aweta zelf doet, steeds meer details. Daardoor komt ze zelf op nieuwe dingen en wordt het verhaal persoonlijker en levendiger. Een voorbeeld van zo'n proces: Dyronne vertelt over een tv-pro­gramma waarin een hotel voorkomt, waar een bel staat op de balie. Daar is verder weinig over te vertellen. Ik vraag naar de bel van haar eigen huis, waar die zit. Ze vertelt met evenveel vuur door over de brievenbussen en hoeveel bellen daar zitten en wanneer ze bij haar eigen huis aanbelt.

 

Een aantal kinderen associeert moeiteloos: Dave vertelt hoe hij voor de deur van een winkel viel en de mevrouw van de winkel hem naar het ziekenhuis bracht, waar de wond werd gelijmd. We hebben het over de wond en dat hij niet durfde te kijken. En dat zijn moeder gebeld werd. Dit alles naar aanleiding van een limonaderietje (hij kreeg een blikje cola na afloop).

Daniel vertelt naar aanleiding van de boor mooi over hoe zijn vader een kelder maakte onder de schuur. Hij mocht helpen met een kuil graven, waarbij hij moest oppassen voor de buizen en allemaal kraantjes. De details komen later prachtig terug in de tekening die hij bij zijn tekst maakt.

Toninho vertelt hoe hij rende met de sleutel van de schuur en toen viel, precies met zijn kin op de sleutel. Je zag de afdruk van de tandjes.

Raymill vertelt over een schelp op het strand en herinnert zich al vertellend dat ze ook een kwal vonden en er met stokjes in gingen prik­ken.

Marco weet echt niet wat hij moet vertellen bij de strippenkaart. Ik vraag waar hij de laatste keer een strippenkaart gekocht heeft. Bij de sigarenwinkel in Amsterdamse Poort. En waar ging je naar toe? Bij kijkt mij niet begrijpend aan. Ik vraag door en hij herinnert zich stap voor stap dat hij met zijn moeder met de bus naar een zwembad in Breukelen ging.

Voorwerpen leiden gemakkelijk tot associaties met ervaringen, omdat ze concreet zijn en herkend worden. Kinderen associëren eigenlijk al uit zichzelf op voorwerpen: je laat iets zien en ze zeggen 'dat heb ik ook', willen er iets mee doen of vertellen waar ze het een keer zagen.. Toch is het in sommige groepen nodig om dat proces op gang te brengen en te begeleiden. Daarbij is ‘modelen’ belangrijk om de kinderen over de drempel te helpen.  Associëren is een vaardigheid die je met een groep kinderen kunt opbouwen. Naarmate je het meer met ze doet zullen de kinderen zich vrijer gaan voelen en zal het makkelijker gaan.

De hamvraag voor de begeleider is: waar ben ik met deze taalronde op uit? En even belangrijk: hoe ontdek ik waar elk kind zich betrokken bij voelt? Met associaties ben je niet altijd meteen waar je wezen wilt. Hoewel bij associëren alles geoorloofd is, vind je zelf niet al je associaties even interessant om op door te gaan. Een begeleider helpt kinderen bij het vinden en selecteren van verhalen die ze graag willen vertellen en opschrijven door te vragen naar herinneringen en daar dan even op door te vragen.

In taalrondes is het doel altijd: dat kinderen steeds beter worden in het verwoorden van hun ervaringen. Associaties staan aan het begin van dat proces. Ze helpen mee om je hoofd vrij te maken van vooropgezette doelen en vormen, en je primair te richten op je eigen waarnemingen en belevenissen. Met de verhalen en teksten die daaruit voortkomen, kan je verder werken.