Vertellen over ervaringen
- Uitnodigen tot vertellen
- Veel of weinig vertellen
- Vragen naar kennis of ervaring
- Wat je ziet precies beschrijven
- Woorden zoeken bij een ervaring
- Associeren op voorwerpen
- Inzakmomenten vertelkring
- Duur van een vertelronde
- Gesprekken buiten de les
- Samen weten kinderen veel woorden
- Gewone of bijzondere ervaringen
- Taalrondes kunnen met alle groepen
- Iedereen kan meedoen
Op zoek naar woorden bij een ervaring
| In groep 7 weet ik niet zo goed hoe we kunnen praten over het onderwerp smaken, dus ik wil het een beetje onderzoeken met de kinderen. We beginnen met een snel rondje waarin we iets opnoemen wat je vanochtend in je mond hebt gehad. Veel kinderen noemen thee of tandpasta. Ik besluit nader in te gaan op de smaak van tandpasta. Ik vraag een paar kinderen hoe hun tandpasta heet. Hoe hij eruit ziet, en hoe hij smaakt. Er blijken veel verschillen: bij de een is de tandpasta gestreept, bij de ander blauw, bij een derde groen of roodwitblauw. De smaak is moeilijk te benoemen. Mint, zegt Burak. Maar wat is mint. Hoe smaakt dat. Heet, zegt iemand. Een beetje naar peper, zegt een ander. Vies of lekker? De meesten vinden hun tandpasta vies smaken. Ik zeg dat ik een keer tandpasta had die naar snoepjes smaakte. Er vliegen vingers omhoog van kinderen die het herkennen. Een kind vertelt over Teletubbies-tandpasta die zijn moeder mee naar Turkije had genomen als cadeautje. Het smaakte naar snoepjes. Een ander kent tandpasta die naar kiwi smaakt. Wat is een kiwi? Ook hierop volgt uitleg: het is bruin en van binnen groen met allemaal zwarte pitjes. Ik ga verder op de smaak ‘heet’ . Wat smaakt nog meer heet? Er komen vingers. Sambal, zegt iemand. Ik vraag uitleg. We praten langdurig over sambal en hete sausjes, en ouders die dat op hun eten doen, vaders die shoarmabroodjes eten met pepersaus, en wat er gebeurt als je het per ongeluk eet: je krijgt tranen en je moet water drinken. Ik schrijf smaken op het bord die ik tot nu toe gehoord heb: zuur, heet, mint, kiwi, pepermunt, snoepjes. Wie weet nog meer smaken? vraag ik. Er komen bij: zout, zoet, bitter. Het woord ‘zoet’ komt niet gemakkelijk, ik vraag: ‘Hoe smaakt suiker?’ En dat weet niemand meteen. Kennen ze het woord niet? Tijdens deze ronde ben ik bezig met een soort verkenning van het onderwerp ‘smaken’ en zoek ik naar manieren waarop we erover kunnen vertellen. Ik vraag steeds naar betekenis van woorden en laat kinderen zoveel mogelijk zelf uitleggen – op die manier blijven ze actief en zoeken naar woorden en beschrijvingen. Ook probeer ik ze door middel van vragen zoveel mogelijk te laten vertellen over een ervaring, niet alleen over de smaak maar ook over waar en wanneer ze het geproefd hebben, hoe het precies voelde in je mond en wat er toen ook nog gebeurde. Als Ilkar zegt dat hij zoute drop heeft geproefd, vraag ik wat voor drop het was. Geld, zegt hij. Ik vraag hoe hij er aan kwam. Albert Heijn, zegt hij. Waar zat het in? In een zwart pakje. Ik vraag verder hoe hij zo’n geld-drop eet. Is het hard? Zacht? Hoe voelt het in je mond? Slik je het meteen door of zuig je erop? Hij vertelt dat het hard is en dat hij het pas doorslikt als het heel klein is geworden. Zo wil ik in de vertelronde al veel voorbeelden van gedetailleerd vertellen, en hoop dat dat straks in de teksten ook terugkomt. We hebben het nog even over dingen die naar niks smaken (water, ijsblokjes, volgens Ilias: een bepaald soort ijsjes, sneeuw) en dingen die je opeet die eigenlijk niet zijn om op te eten (wat leidt tot verhalen over snoeppapier en dingen die ze hadden ingeslikt toen ze nog klein waren). Ik schrijf bij de lijst op het bord de woorden ‘niks’ en ‘gek’. |
Vertellen over je eigen ervaringen, iedereen kan het, kijk maar naar de eerste de beste verjaarsvisite of andere gezellige bijeenkomst. Zelfs peuters hebben al de behoefte, verslag te doen van wat ze gezien of gedaan hebben. En met die universele behoefte werk je in een taalronde.
Maar een taalronde is iets anders dan gezellig kletsen. Het is de bedoeling dat kinderen hun taalvermogen optimaal ontwikkelen. Dat gebeurt door te beginnen bij hun ervaringen, en vervolgens samen met hen te onderzoeken op welke manieren die onder woorden gebracht kunnen worden. Want dat kan altijd op verschillende manieren.
Sommige kinderen vertellen veel en gemakkelijk, sommige onderwerpen leiden gemakkelijker tot uitgebreid vertellen dan andere. Maar vaak vinden kinderen het moeilijk om uit zichzelf uitgebreid, precies en beeldend te vertellen over wat ze hebben meegemaakt. Daarvoor zijn verschillende redenen. In het doorsnee onderwijs zijn kinderen vaak niet gewend dat ze de ruimte krijgen om naar woorden te zoeken. Veel vaker stelt een juf of meester vragen waarop een enkel woord voldoende antwoord is. Dat geldt overigens ook voor veel schriftelijke taalopdrachten: werkbladen waarop losse woorden ingevuld moeten worden zijn vaste prik in de taalmethodes. Daarnaast vertelt niemand gemakkelijk als er niet actief naar geluisterd wordt. En tenslotte voelen veel kinderen zich op taalgebied onzeker: ze kennen weinig Nederlandse woorden, twijfelen daarover of zijn bang om fouten te maken. Ze hebben dus hulp en aanmoediging nodig.
In een taalronde krijgen kinderen van elkaar voorbeelden van hoe je over een ervaring kunt vertellen, maar worden ze ook uitgedaagd door de begeleider om dat steeds preciezer, en ook op andere manieren te doen. De begeleider focust op taal, terwijl de kinderen primair met de inhoud van die taal bezig zijn. Hen wordt gevraagd hoe het nu precies zat met die hond die ze op straat tegenkwamen, met dat zusje dat haar yoghurt liet vallen, met de kleur van de lucht toen ze 's avonds in de auto naar huis reden. Doordat de begeleider naar zulke dingen doorvraagt, wordt hun voorstellingsvermogen gestimuleerd, en zoeken ze actief naar de woorden die bij hun voorstelling passen. Tijdens een taalronde vinden ze die woorden in hun eigen woordenschat en in die van anderen.