Iedereen kan leren schrijven

Vertellen over ervaringen

Uitnodigen tot vertellen

De voorwerpen zijn in groep 8 het beginpunt voor een taalronde. Harun pakt een plastic handschoen en zegt dat zijn moeder die heeft als ze gaat afwassen. Ik vraag of ze dan met die handschoenen aan in het water gaat. Hij zegt dan dat ze niet meer zo afwast want dat ze nu een machine hebben, een… vaatwasser. Ik vraag hoe dat bij hem gaat met die machine. Hij zegt dat hij dat niet weet, omdat zijn moeder de enige is die het doet. Ik maak daarvan een vraag voor de anderen: wie heeft ook zo’n machine thuis? Twee of drie vingers. En hoe gaat het nu precies met zo’n machine? Nisrin begint het te vertellen, heel precies: er moet een half tablet in en dan schuif je hem dicht en dan draai je de knop op twee. Ik vraag of ze weet wat er dan gebeurt in die machine. Ze begint nog preciezer uit te leggen dat er een soort draaiding onder in zit. Gaan dan alle kopjes en bordjes rondvliegen? Nee nee, ze zoekt naar woorden. Geleidelijk wordt het steeds beter verteld: het water en de zeep gaan draaien en dat maakt de spullen schoon. Nu vraag ik aan de anderen wie wel eens zo’n afwasmachine ergens anders gezien heeft, bijvoorbeeld in een restaurant. Haruns vinger schiet omhoog: hij begint enthousiast te vertellen over een grote afwasmachine in een restaurant waar hij een keer met zijn ouders was. Alles ging automatisch, hij beeldt met zijn handen uit hoe die bakken erin schoven.

Wat ik hierbij als begeleider heb gedaan: ik merkte dat Harun heel dicht bij de handschoenen bleef en daar eigenlijk niet veel over wist te vertellen. Ik vroeg door over zijn moeder. Toen kwam hij met die afwasmachine. Daar vroeg ik over door. Duidelijk werd dat hij thuis niet aan dat ding mag komen. Ik breidde de vraag uit naar de kring: wie weet hoe zo’n machine werkt? Van een ander kwam vervolgens een precies verhaal. Terwijl ze vertelde, moest ik denken aan afwasmachines die je soms ziet in café’s of kantoren. Dat bracht mij op de vraag of iemand wel eens ergens anders dan thuis zo’ n machine had gezien. Zo kwam ik weer terug bij Harun, die nu precies en betrokken vertelde – en ook anderen wilden ineens vertellen. Zo zoek ik dus stap voor stap, uitgaand van wat kinderen vertellen en van mijn eigen associaties, naar betrokkenheid van zoveel mogelijk kinderen.

Iets soortgelijks gebeurt als Younes de speen pakt en alleen zegt dat het een speen is voor baby's. Hij zegt ook dat zijn broertje het had. Ik ga door op dat babybroertje van Younes. Ik vraag of hij nog weet toen het broertje pas geboren was. Ja. En hoe het ging toen hij het broertje voor de eerste keer zag. Daarover kan hij met veel details vertellen. Dat niemand het broertje mocht vasthouden, zelfs zijn vader niet! Er klinkt iets van verontwaardiging door in zijn stem. Ik vraag naar andere herinneringen aan pasgeboren zusjes of broertjes, en die zijn er veel.

 

Het verhaal 'Morgen' gaat over vervelende klusjes die Pad steeds uitstelt. Meteen na het voorlezen in groep 5 vertel ik dat ik steeds vergeet mijn twee planten water te geven. Dus ik geef ze misschien om de week water. Toch blijven ze steeds leven. 'Dan moet je een kunstplant nemen', stelt een kind behulpzaam voor. Ik vind het wel een idee. Ik vraag wie ook werkjes moet doen die je steeds vergeet. Mounims vinger schiet omhoog, hij vertelt dat hij na het eten zijn bord moet afwassen, maar dat doet hij dan niet en gaat buiten voetballen. Ik vraag of iemand anders het dan voor hem doet. Nee, als hij binnenkomt staat het bord er nog en dan doet hij het toch nog. Nastasja vertelt dat ze vergeet om haar Furby eten te geven. Ik heb altijd al willen weten hoe dat precies gaat dus ik vraag net zo lang door tot ik precies begrijp hoe je zo'n ding eten geeft. Ze vertelt het heel precies, ook hoe de Furby doodgaat als je hem twee weken geen eten geeft. Het brengt mij op de volgende vraag: 'Wie moet ook altijd een dier eten geven?' Weer vingers. Enkele kinderen vertellen over cavia's, hamsters en vissen eten geven. Ik vraag steeds precies hoe ze het doen. Dwayne vertelt dat hij alleen sommige vissen eten geeft, niet de vissen die zwanger zijn. Dat lijkt me moeilijk, hoe doe je dat dan? Het blijkt dat die zwangere vissen zelf in een hoekje van het water blijven hangen en niet naar het eten toe zwemmen. Volgens Dwayne hebben ze geen zin in eten. Ik vraag wanneer hij die vissen eten geeft, altijd op dezelfde tijd? Ja, meestal 's morgens. Ik stel een nieuwe vraag: 'Wie heeft ook een werkje dat je altijd op dezelfde tijd doet?' Zelf schiet me te binnen dat ik op dinsdag de vuilniszak naar beneden moet dragen. Dat leidt tot meer verhalen over vuilnis buiten zetten. Ik vraag naar werkjes van 's ochtends en werkjes van 's avonds. Er wordt verteld over afwassen, afdrogen, bedden opmaken, kamers opruimen. We gaan langdurig in op manieren van speelgoed opruimen. Gewoon alles onder je bed duwen. Alles in speciale schoenendozen. Of in rode dozen die je zo kunt optillen. Ik stel steeds vragen: hoe noem je zo'n doos? Hoeveel heb je er? Wat gaat er in de ene en wat in de andere? Door de verhalen van de kinderen kom ik van het ene op het andere aspect van het onderwerp. We hebben het nog over werkjes die je zus altijd doet of je broer, helpen met de was, je vader met iets helpen, werkjes waar je iets mee verdient. Dingen die je met een doekje opruimt. Yasin veegt de gang, wat veegt hij nu precies op? Moeders die het snel even voor jou doen. Er komen alsmaar vingers. Op een gegeven moment voel ik dat iedereen wel wil vertellen. Dan stap ik over naar het lijstje.

Het mooiste is als kinderen spontaan vertellen, maar dat gebeurt heel vaak niet. Dan moet je dus uitnodigende vragen stellen om ze aan het vertellen te krijgen. Vragen naar ervaringen nodigen uit tot vertellen, betrekken de kinderen bij wat er in de kring gebeurt en stimuleren de aandacht en interesse voor elkaar. De vragen 'heb je gehoord wat … vertelde' en 'heb jij dat ook wel eens gehad', werken wat dat betreft goed. De eerste is een goede afronding na de eerste verteller en de tweede een mooie, duidelijke overgang naar de volgende verteller.

Je vertelt het makkelijkst over iets dat je helder voor ogen hebt, waar je door geraakt bent en wat je leuk vindt om te vertellen. Vaak is het even zoeken naar waar zo'n verhaal zit. In een taalronde doet een begeleider steeds uitnodigingen naar kinderen om te vertellen, nu eens algemene (aan de hele groep) dan weer persoonlijke (aan een enkel kind). Die uitnodigingen slaan aan, of niet. Meestal ligt dat niet aan het kind, maar aan de vraag. Herkent het kind waarnaar je vraagt? Heeft hij daar ook genoeg over te vertellen? Heeft hij nog meer vragen nodig om het voor zich te gaan zien? Heeft hij zin om juist hierover te vertellen?

Als een kind eenmaal de beurt heeft, kan de open uitnodiging 'vertel eens' genoeg zijn om het van start te laten gaan. Als dat niet het geval is, zijn concrete vragen nodig. Vragen naar wat een kind deed en hoe ze het deed nodigen uit tot meer vertellen dan een gesloten vraag waarop een kort antwoord gegeven kan worden ('wat geef je je cavia te eten?' 'vond je het leuk om bij je nichtje te logeren?'). Een verhaal vertellen is iets anders dan antwoord geven op de vragen die de juf stelt. We zijn bij taalvorming steeds op zoek naar manieren om kinderen daarbij te helpen.