Iedereen kan leren schrijven

Vertellen over ervaringen

Taalrondes kunnen met alle groepen

We zijn in een nieuwkomersgroep (kinderen van verschillende leeftijden die net uit verschillende landen komen) al een tijdje bezig met taalrondes. Vandaag beginnen we met het voorlezen van een paar teksten die ze de vorige keer geschreven hebben. Bij de jongere kinderen is de tekening minstens zo belangrijk als de tekst. Ik wijs op details van de tekeningen en vraag er soms nog wat bij. Ze luisteren met interesse en trots. Het voorlezen is belangrijk omdat het laat zien dat de teksten serieus genomen worden en dat het dus de moeite waard is om ze zo goed mogelijk te schrijven en te tekenen. Ook keren de ervaringen van de kinderen zo steeds terug in de kring.

 

Omdat ze de werkwijze al kennen leg ik daarna voorwerpen op tafel: een serie verschillende lampjes. Ik begin meteen met vertelbeurten geven. Een meisje naast me pakt de kaars en vertelt over een keer in Turkije dar het licht uitviel. Ze heeft mijn vragen nodig om er steeds iets meer over te vertellen, anders was ze niet verder gekomen dan ‘in Turkije, licht gaat uit, kaars aan.’ Ik vraag waar ze zaten, wat ze deden toen het donker werd, hoe lang het donker bleef, wie de kaars aan stak, etcetera.

Daarna neem ik de kaars van haar over en vraag wie ook wel eens gehad heeft dat ineens het licht uit ging. Meerdere vingers. Ik geef de kaars aan een van de vingeropstekende kinderen. Die vertelt nu over een oom die in de meterkast aan knopjes ging duwen. Daarna gaat de kaars naar Bernard, die nauwelijks Nederlands spreekt. Hij wil het bijna meteen weer opgeven, maar ik blijf vragen waar die kaars was, wie hem aan deed, waar hij op stond. Hij geeft antwoord met gebaren of in het Engels en dat vind ik goed. Hij beeldt uit hoe je de kaars kan vastzetten door er kaarsvet uit te laten druipen. Dat begrijpt iedereen.

Deze werkwijze probeer ik meer toe te passen: iemand vertelt bij een lampje, ik maak er vervolgens een vraag van voor de rest: ‘Wie heeft dat ook wel eens gehad?’ Rachid vertelt over een klein lampje in een vogelkooi, het lijkt verzonnen al vertelt hij het goed; ik vraag aan de rest: ‘Wie heeft thuis ook een heel klein lampje ergens?’ Dat geeft vingers, er wordt verteld over een klein lampje in een kamer in Marokko, over een ijskastlampje, over fietslampjes die stuk zijn. De lampjes op de tafel helpen bij het vertellen, als de taal tekortschiet en er iets uitgebeeld moet worden.

Op een gegeven moment zie ik zoveel vingers dat ik stop en overga op het tekenlijstje. Ik zeg deze keer duidelijk: je tekent nu niet een lamp van de tafel, maar een lamp die je zelf hebt. Ergens, thuis of in Afrika, of op je fiets. Ze tekenen allemaal drie lampen op hun tekenlijstje en daarna gaat het zoals de andere keren: kiezen over welke je wilt vertellen, tweetalgesprekken, aan tafel tekenen en schrijven terwijl ik rondloop om te helpen.

Eigenlijk bestaan er geen groepen waarvoor taalrondes te moeilijk zijn. Overal waar mensen bij elkaar zitten en de behoef­te tot communicatie ontstaat, kan je aan het werk gaan met deze werkwijze. Of het nu peuters zijn, bejaarden, anderstaligen of tieners. Je maakt gebruik van de taalmiddelen die al aanwezig zijn, zowel bij individuen als in de groep als geheel. Ongeacht hoe iemands 'taalniveau' in schoolse zin is, kan elk mens met de taal die hij of zij heeft iets uitdrukken. En in het totale proces van vertellen, tekenen, schrij­ven, herschrijven, in de groep delen van verhalen en teksten, wordt ieders taalvermogen verder uitgebouwd.

Juist bij nieuwkomers is dit proces zo goed zichtbaar. De taalrondes in zo'n groep zijn één groot, gretig taalfeest: werkelijk ieder kind is bezig met het zoeken naar de juiste woorden om iets te beschrijven, naar de betekenis van weer andere woorden, naar manieren om te begrijpen wat een ander wil zeggen of om een ander te helpen iets onder woorden te brengen. Daarbij wordt gebruik gemaakt van verschillende eerste talen, maar ook van niet‑talige middelen zoals uitbeelden, geluiden maken en tekenen.

Werken met voorwerpen is in een groep tweede taalleerders extra productief. De voorwerpen brengen het communicatieproces bijna vanzelf op gang. Ze geven houvast ‑ ze liggen daar rustig in de kring en we kunnen er bij terugkeren als we in het taalgewoel ineens de draad kwijt raken. Het doel is: kijken of we verder kunnen komen dan alleen het benoemen van de voorwerpen zelf en hun functies. Ik wil ze ertoe brengen, op de voorwerpen te gaan associëren: aan welke gebeurtenis doet een voorwerp je denken? Waar heb jij zo'n ding een keer gezien en wat gebeurde er daar? Wat deed jij een keer daarmee? Of nog verder: elke associatie die een voorwerp geeft met een eigen ervaring.

Voor sommige kinderen in zo'n gemengde groep is dat moeilijk. Ze vinden benoemen het veiligst en hebben hulp nodig om verder te komen. Ze moeten ook wennen aan de werkwijze. Nieuwkomers leren bij taalvorming hun ervaringen te verwoorden in goed Nederlands. Daarvoor hebben ze de hulp van de groep en van de leerkracht nodig. De leerkracht is in een taalronde niet bezig met controleren of ze woorden al kennen, maar enkel en alleen met het oproepen en helpen verwoorden van hun associaties. Geleidelijk aan snappen ze waar het om gaat, en worden ook hun teksten persoonlijker.