Iedereen kan leren schrijven

Vertellen over ervaringen

Bijzondere ervaringen of gewone ervaringen?

Ik vraag in groep 5 naar wie een balkon heeft, en zie vingers. Wat zie je vanaf je balkon? Een kind vertelt dat ze hun eigen tuin ziet. Ik vraag wat ze daar wel eens ziet gebeuren. Ze vertelt over haar buurmeisje die onder de hekjes door komt om te spelen.

Ik vertrouw erop dat dit voldoende associaties bij andere kinderen over balkons heeft gegeven. Louca zit steeds omgekeerd; ik vraag hem daarom naar een hoge plek waar hij was. Hij begint meteen te vertellen over hoe hij een keer een vulkaan heeft beklommen. Het is niet verzonnen, ze gingen er met de auto op en stonden aan de rand van de krater. Ze gooiden er stenen in en dan hoorde je die niet vallen. Ik stel detailvragen, bijvoorbeeld naar wat hij nu precies zag daar beneden: water? stenen? kleuren? Het was bruin, en er groeiden bomen in. Ik gebruik zijn verhaal om te vragen wie ook wel eens op een berg gestaan heeft. Aykut vertelt over een berg in Turkije, ze reden een stuk met de auto en gingen daarna lopen, er was zand waar je vanaf kon glijden. Hij doet grote moeite om precies te vertellen hoe dat glijden ging. Daarna vertelt Bryan over een bergbeklimming in Suriname, waar hij van boven af vissen in het water zag en krabben.

Ik besluit om een laatste vraag te stellen die de anderen weer bij een iets ‘gewonere’ ervaring brengt, en vraag wie wel eens ergens op geklommen is, bijvoorbeeld op een dakje, of een boom. Vingers. Ihsane steekt haar vinger nooit op, dus neem ik haar nu eens. Ik vraag haar of ze wel eens ergens op geklommen is. Ze begint te vertellen over het platte dak van haar huis in Marokko, waar ze op klommen om te gaan spelen.

 

Juf Anita vraagt tijdens een vertelronde in groep 4 meerdere keren naar bijzon­dere ervaringen met dieren. 'Een beetje anders, niet een dier wat we elke dag zien, maar iets bijzonders, wat een beetje vreemd was,' zegt ze bijvoorbeeld. Misschien uit angst voor een grote hoeveel­heid dezelfde verhalen. Ik merk dat sommige kinderen daardoor een beetje van hun praatstoel vallen. Ik zie ze bijna denken: wat zou bijzonder genoeg zijn? Ze moeten hun herinne­ringen daarop selecteren. Andere kinderen trek­ken zich er weinig van aan, zoals Anam, die begint gewoon: 'Ik heb een poes gezien, die was heel lief.' Anita vraagt daarop door, en de poes wordt ineens vanzelf bijzonder: hij was bij oma en hij is al eenen­twintig jaar oud. Hij was ziek, hij ging steeds liggen en moest naar de dieren­arts.

 

Meteen na het voorlezen van een verhaal over fietsen, vraag ik in groep 5 aan Derrick of hij ook een fiets thuis heeft, en waar die staat. Zo komen we vanzelf in de vertelkring terecht over plekken waar fietsen staan. Het is goed dat we niet zijn doorgegaan op het onderwerp ‘fietsendieven’ dat ook in het verhaal zit. Het gevaar daarvan is dat de focus dan op spectaculaire verhalen over diefstal zou komen. Nu gaat het gewoon over plekken waar fietsen staan en hoe die er verder uitzien en hoe je je fiets daar neerzet. Het blijkt zoveel stof op te roepen dat we niet eens toe komen aan de andere vragen over fietsen die we vorige week bedacht hadden. Er komt een lang verhaal van Fouad over de schuur, waar hij niet alleen naar toe durft. ‘Ik neem altijd een stok mee als ik mijn fiets pak’. Het vertellen van Fouad moet enorm begeleid worden, omdat meer kinderen ineens ook willen vertellen over junkies op enge gangetjes bij boxen. Na Fouad volgen nog enkele vertelbeurten, meest over bergingen en fietssloten, maar tenslotte ook nog over fietsen die ineens weg waren. Er is een moment dat de verteltijd gewoon echt op is. Op dat moment heb ik de opdracht van het lijstje bedacht: een lijstje van plekken waar je fiets wel eens gestaan heeft, binnen of buiten. Na deze hoofdvraag geef ik wat ‘bij-vragen’: of waar je fiets wel eens gelegen of gehangen heeft. Of als je geen fiets hebt, fietsen van anderen. Door wat er in de kring gebeurde, ben ik er vrij zeker van dat het voor iedereen uitvoerbaar is. En ze gaan inderdaad allemaal meteen een lijstje maken.

In veel kringgesprekken heerst het idee dat er over bijzonde­re, spec­taculaire dingen verteld moet worden en dat gewone, dagelijkse erva­ringen niet interessant of belangrijk zijn. In taalrondes proberen we dat idee los te laten. Want het nadeel van 'bijzondere' verhalen is, dat je al gauw van je eigen verhaal denkt dat het niet bijzonder genoeg is. In een vertel­kring over 'bijzondere' dingen heerst snel een sfeer van concurren­tie en opscheppen. Kinderen krijgen de neiging te gaan fantaseren, om het nog mooier te maken. Voor verlegen kinde­ren wordt het vertellen nog moeilijker.

Het voordeel van 'gewone' ervaringen is, dat iedereen ze bij de hand heeft. In taalrondes zoeken we juist naar onderwerpen, waar iedereen uit eigen ervaring gemakkelijk associaties bij heeft. Dus niet: iets bijzonders met dieren, maar gewoon: dieren die je gezien hebt, of gevoeld, geaaid, mee gespeeld. Het kan de poes van oma zijn, of een mier op je been, of een koe die je zag vanuit de auto. En als kinderen door middel van vragen geholpen worden om nauw­keu­riger over gewone dingen te vertellen, blijkt dat ze heel interes­sant zijn: hoe die poes deed toen je hem aaide, hoe die mier voelde, wat je deed of dacht daar op die achterbank toen je keek naar de koeien. Alsof het een film is, kan je op elke kleine waarneming of gebeurtenis 'inzoomen' en de bijzonderhe­den ervan beschrij­ven. Juist jonge kinde­ren genieten van de details die dat geeft. Het maakt ze nieuws­gierig of ze herken­nen het. Als ze hun observatie van details verwoorden, wordt hun taalgebruik wordt vanzelf rijker.

Soms raak je tijdens een taalronde toch op het spoor van bijzondere, spectaculaire ervaringen, gewoon omdat die ineens bij iemand opkomen. Het is nergens voor nodig om zo'n verhaal af te kappen. Het is wel belangrijk om in de gaten te houden welk effect het heeft: worden de anderen er een beetje door platgeslagen, of gaan ineens meerdere kinderen extreme, ongeloofwaardige dingen vertellen? Dan is het voor de begeleider zaak om weer iets 'gewoons' in te brengen en zo te waarborgen, dat ieder kind kan meedoen zonder zichzelf te hoeven overschreeuwen.