Vertellen over ervaringen
- Uitnodigen tot vertellen
- Veel of weinig vertellen
- Vragen naar kennis of ervaring
- Wat je ziet precies beschrijven
- Woorden zoeken bij een ervaring
- Associeren op voorwerpen
- Inzakmomenten vertelkring
- Duur van een vertelronde
- Gesprekken buiten de les
- Samen weten kinderen veel woorden
- Gewone of bijzondere ervaringen
- Taalrondes kunnen met alle groepen
- Iedereen kan meedoen
Hoe lang moet een vertelronde duren?
In groep 3 van Maaike gaat de taalronde over feesten; in groep 5 van Doortje gaat het over ziek zijn. Zowel Maaike als Doortje werken met een vertelronde op het rijtje af: ieder kind vertelt op zijn beurt over een ervaring. De vertelrondes duren bijna een uur. Daarna gaan de kinderen aan hun tafel tekenen of schrijven over de vertelde ervaring. Maaike en Doortje hebben allebei in hun hoofd dat elk kind tijdens de vertelronde een uitgebreide vertelbeurt moet hebben. Daardoor duren de rondes ruim een uur. Omdat er ook nog op het rijtje af verteld wordt, is dat lang en op den duur een beetje saai. Kinderen die spontaan op een verhaal reageren, worden afgekapt omdat ze de ronde verstoren. In beide vertelrondes blijven Doortje en Maaike lang stilstaan bij elk kind. Serhat vertelt bijvoorbeeld over een kindje op het feest van zijn oma, dat zijn gezicht in de taart duwde. Maaike vraagt heel precies hoe het gebeurde. Als dit voorval duidelijk is, vraagt ze hem nog verder naar andere dingen die op dat feest gebeurden. Serhat moet nadenken en er komen weer nieuwe verhalen bij. Eigenlijk is dat niet nodig, het verhaal over het kindje en de taart is interessant genoeg. |
Vaak denken leerkrachten dat bij een vertelronde elk kind aan de beurt moet komen. Alhoewel dat een goed principe is, is het ook weer niet strikt noodzakelijk. Een taalronde is zo opgebouwd, dat ergens in het proces elk kind een kans krijgt om zijn of haar verhaal te vertellen. Als het niet tijdens de vertelronde is, dan is het wel in de tweetalgesprekken of bij het voorlezen van de teksten. De vertelronde is maar een onderdeel van het proces, en als je er te lang in blijft hangen kan de aandacht verslappen en de energie voor volgende werkvormen opraken. Aandacht voor vaart en tempo in de taalronde is belangrijk. Al werkende met taalrondes krijg je daar gevoel voor. Je gebruikt de vertelronde vooral voor het 'opladen' van het onderwerp. Als er genoeg verhalen borrelen, kan je overstappen op het maken van een lijstje. Overigens kan een vertelronde zo interessant zijn, dat hij ongemerkt een uur duurt!
Het is handig om te werken met twee soorten vertelbeurten, die je tijdens de vertelronde afwisselt. Je kunt rechtstreeks een kind een beurt geven of eerst vingers laten opsteken.
- korte, waarbij iedereen iets korts zegt (bijvoorbeeld de kleur van je dekbed, of: wat je vanochtend het eerste zag toen je uit de deur stapte) en waarbij niet wordt doorgevraagd, zodat het snel gaat en je in vijf minuutjes de hele kring rond bent
- lange, waarbij je goed doorvraagt om het verhaal duidelijk te krijgen - dan streef je er niet naar dat iedereen aan de beurt komt. Het is dan belangrijker dat er goed verteld wordt en dat anderen daardoor op ideeën komen.
De lange beurten gaan niet op het rijtje af, maar kriskras. Je sluit een beurt inhoudelijk af door op vragende toon een conclusie te trekken of een korte samenvatting te geven.
Vanuit die afsluiting maakt je een nieuwe beurtopening door te vragen wie dat ook heeft.
Het belangrijk dat kinderen op elkaars verhaal kunnen ingaan, door vragen te stellen of door elkaar te helpen met het formuleren. Die interactie is leerzaam en geeft levendigheid. Om te voorkomen dat het een chaos wordt, zoek je naar een evenwicht tussen streng werken met vingers en beurten, en ook wel eens wat laten roepen.
Een verhaal hoeft niet ‘volledig’ te zijn. Kinderen hebben zelf al vaak de neiging tot langdurig chronologisch vertellen, met hele lange inleidingen en hele lange naslepen - meestal moeten de luisteraars ervan gapen. Help een kind in je begeleiding om te ‘focussen’ op een interessant detail van de ervaring, door alleen daarover vragen te stellen en dan naar de volgende verteller te gaan. Een kind vertelt bijvoorbeeld precies over hoe het adem-apparaatje werkte dat hij van de dokter kreeg, - daar valt genoeg over te vertellen, en hoe het allemaal precies afliep met zijn verkoudheid, dat hoeft niet per se ook nog verteld te worden.
Soms is het even zoeken naar zo’n detail of aspect. Laat je leiden door wat je zelf interessant vindt of wat je merkt dat kinderen interessant vinden! Lang, ‘volledig’ vertellen leidt tot even lange en-toen-en-toen-teksten als ze gaan schrijven. Ook voor het bijschrijven bij tekeningen in groep 1 tot 3 geldt: focus op een interessant detail en schrijf niet sowieso alles op wat een kind vertelt.