Iedereen kan leren schrijven

Vertellen over ervaringen

Vragen naar kennis of vragen naar ervaring

In groep 5 vraagt juf Wendy de kinderen om een aantal geuren uit hun straat op te schrijven. De kinderen kiezen daarvan een geur uit en lezen die voor. Juf Wendy vraagt bij de meeste kinderen door op wat ze voorlezen. Jermaine ruikt aarde. Wendy vraagt: 'Hoe rook het?' 'Was het natte aarde of droge aarde?' 'Nat.' 'Schrijf dat er dan bij: natte aarde.' Wendy herinnert de kinderen aan wat de schooltuinmeester vertelde over natte en droge aarde. Asmae ruikt vuilnis. Wendy vraagt: 'Wanneer ruik je dat?' Asmae zegt niets. 'Wat rook je?' Asmae zegt weer niets. Wendy: 'Ruik je dat met een bepaald soort weer?' Asmae zegt niks. Wendy vraagt wie ook wel eens vuilnis heeft geroken. Charlotte steekt haar vinger op. Wendy vraagt wat ze rook. Charlotte zegt dat ze etensresten rook. Wendy vraagt opnieuw: 'En wanneer ruik je dat?' 'Bij warm weer,' zegt Charlotte. Dat is het antwoord dat Wendy graag wil horen. Ze vraagt hoe het komt dat vuilnis ruikt bij warm weer. Charlotte weet het niet. Wendy vraagt naar de temperatuur in de vuilniszak. Nu snapt Charlotte wat ze bedoelt. Het gaat broeien in de vuilniszak. 'Ja,' zegt Wendy, 'Door de warmte gaat het verrotten en dat ruik je.'

 

Wendy vraagt waarschijnlijk door om de kinderen te helpen preciezer te vertellen en te schrijven. Ze vraagt door op de ervaring van Jermaine: natte of droge aarde? Hij denkt terug aan de ervaring en geeft antwoord. Wendy geeft het advies om het woord 'natte' toe te voegen op zijn blaadje. Dat maakt het inderdaad preciezer. Het doorvragen bij Asmae is doorvragen op kennis. Wendy wil weten wat Asmae weet over het proces van verrotting en ze wil graag het goede antwoord horen. Dat antwoord krijgt ze niet van Asmae. Als Wendy had gevraagd: wanneer rook je die vuilniszakken, had ze naar de ervaring van Asmae gevraagd. Die had dan nagedacht op welk moment het gebeurde. Nu was de vraag: wanneer ruik je vuilniszakken. De vraag wordt algemeen door het gebruik van de tegenwoordige tijd. Het antwoord gaat niet over die ene keer dat Asmae het rook, maar over alle keren dat mensen vuilnis ruiken. Dat moet je maar net weten: vuilniszakken gaan stinken bij warm weer als de etensresten gaan broeien in de zak.            

Het zou ideaal zijn als je vrij met kinderen kon praten over wat ze weten en wat niet, wat ze zelf hebben meegemaakt, geobserveerd en bedacht, wat ze zich afvragen en hoe ze daar achter zouden kunnen komen. Zonder dat ze bang zijn om fouten te maken. In veel groepen zie je echter kinderen die nooit uit zichzelf het woord nemen, die geen vragen stellen, die dichtklappen of die eenlettergrepige antwoorden geven. Dat bemoeilijkt hun taalontwikkeling. Een belangrijk argument om je in taalrondes alleen te richten op de eigen ervaringen van kinderen, en niet op schoolse kennis, is dat het juist die kinderen over de spreek- en schrijfdrempel heen helpt.

Bij kennisvragen gaat het om een goed of fout antwoord. Bij vragen naar ervaring gaat het om begrijpen wat een ander heeft meegemaakt. Bij kennisvragen weet de leerkracht het antwoord meestal al. Bij ervaringsvragen weet alleen het kind dat. In het voorbeeld hierboven geeft Asmae op geen enkele vraag antwoord. Ze weet het antwoord gewoon niet, en de juf gaat naar een ander kind met dezelfde vraag. Asmae heeft een faal-ervaring. Terwijl ook zij, net als de andere kinderen, van alles meemaakt en daarover zou kunnen vertellen.

Bij kinderen als Asmae gaat het in taalrondes om het zoeken naar betrokkenheid en het ondersteunen van zelfvertrouwen. Met haar in gesprek raken over iets waar zij deskundig in is, namelijk haar eigen ervaringen, werkt in elk geval goed. Daarbij is een kennisvraag natuurlijk niet verboden, zoals in geen enkel goed gesprek iets verboden is. Maar als zo'n vraag niet werkt of zelfs blokkeert, kan hij beter snel verlaten worden en vervangen worden door een vraag naar ervaring. Het doel: Asmae aan het praten te krijgen, kan dan voorop blijven staan.

Er zijn ook kinderen die veel beter uit de voeten kunnen met kennisvragen dan met ervaringsvragen. Vaak kinderen die goed zijn in taal en veel weten van verschillende onderwerpen. Ze steken altijd als eerste hun vinger op als de meester tijdens de les iets vraagt. Ook bij zulke kinderen kan het de moeite waard zijn om in taalrondes uitsluitend naar hun ervaringen te vragen. Dan kan blijken dat ze het moeilijk vinden om te verwoorden wat ze zelf meemaken, of dat ze zich onzeker voelen over de waarde daarvan. Ook zij kunnen zo in taalrondes hun zelfvertrouwen opbouwen.