Vertellen over ervaringen
- Uitnodigen tot vertellen
- Veel of weinig vertellen
- Vragen naar kennis of ervaring
- Wat je ziet precies beschrijven
- Woorden zoeken bij een ervaring
- Associeren op voorwerpen
- Inzakmomenten vertelkring
- Duur van een vertelronde
- Gesprekken buiten de les
- Samen weten kinderen veel woorden
- Gewone of bijzondere ervaringen
- Taalrondes kunnen met alle groepen
- Iedereen kan meedoen
Veel of weinig vertellen
Bij de kleuters krijgt Kevin een vertelbeurt in een taalronde over muziekinstrumenten. Hij mag op de vertelstoel zitten, dat is de grote blauwe draaistoel van Theo. Kevin laat het tekeningetje zien waar hij over wil vertellen. Hij weet niet zo goed wat hij wil vertellen. Theo stelt vragen en Kevin geeft steeds kort antwoord. Wat heb je daar getekend? Een trommel. Waar had je die gezien? Bij Albert Heyn. Was het binnen of buiten bij Albert Heyn? Binnen. Was het een meneer of een mevrouw? Een meneer en hij had stokjes. Wat deed hij met die stokjes? Gewoon zo slaan. Moest je geld geven? Kevin knikt. Theo vraagt wie er nog een vraag aan Kevin wil stellen. Een meisje wil weten wie die meneer was, maar dat weet Kevin niet. Theo zegt: 'Heel goed verteld, Kevin.' Nu mag Roby vertellen. Die steekt meteen van wal: 'Ik heb een keer een mevrouw met een gitaar gezien. Die mevrouw was buiten aan het staan en spelen en toen moesten we ook geld betalen. Echt geld.' Theo nodigt weer de kinderen uit om een vraag te stellen. Vikram heeft de tekening niet zo goed gezien. Roby draait met de stoel zijn kant op. Nadat Hamza ook nog in de vertelstoel heeft gezeten gaan de kinderen in tweetallen aan elkaar vertellen over het tekeningetje dat ze uitgekozen hebben. Theo noemt per tweetal welk kind gaat vertellen en welk kind gaat luisteren. Hij geeft als opdracht aan de verteller: 'je mag maar over een muziekinstrument vertellen', en aan de luisteraar: 'Jij gaat heel goed luisteren maar als je het niet snapt mag je ook een vraag stellen.' Na het tweetalgesprek krijgen alle kinderen een potlood en een blaadje en zoeken ze een plekje om te gaan tekenen.
In groep 6 praten we over een moment waarop je aangemoedigd werd of iemand anders aanmoedigde. Alle kinderen weten een voorbeeld te noemen, alleen Baddredine niet. Hoe meer ik doorvraag hoe meer hij dichtklapt, heb ik het idee. Ik zeg dat hij het natuurlijk wel een keer heeft meegemaakt, maar er nu alleen even niet op kan komen. Dan nodig ik de andere kinderen uit om Baddredine te helpen om een herinnering naar boven te halen. De kinderen vuren veel gesloten vragen op hem af: heb je op de sportdag iemand van je groepje aangemoedigd, wie moedigde jou aan bij afzwemmen, heeft iemand jou in de sporthal aangemoedigd, heeft iemand jou aangemoedigd toen je wou opgeven met tennissen op de sportdag, heb je jezelf weleens aangemoedigd toen je geen zin meer had? Op alle vragen schudt Baddredine zijn hoofd. ‘Maar Baddredine,’ zegt een jongen, ‘toen wij laatst estafette deden bij gym toen riep de kinderen toch Baddredine zet hem op?’ ‘Ja, dat wel,’ zegt Baddredine. Daar heeft hij zijn verhaal te pakken. |
Vertellen gaat niet altijd of voor iedereen gemakkelijk. Allerlei omstandigheden spelen daarbij een rol: het onderwerp, de vertelsituatie, het moment dat je een beurt krijgt, de manier waarop vragen gesteld worden, het karakter van een kind, het gevoel dat een kind zelf heeft over haar of zijn taalvaardigheid. Ook in taalrondes met veel veiligheid moet je aan het ene kind enorm trekken, zodat je er tenslotte maar mee ophoudt, en hoef je het andere kind alleen maar op de vertelstoel neer te zetten.
Kinderen die weinig vertellen kunnen dat ineens toch gaan doen, als het over iets gaat waarbij ze echt betrokken zijn, als ze de juiste vragen krijgen, of als ze verkeren in de intimiteit van een tweegesprek. Heel lang trekken is bij die kinderen niet de beste manier. Als begeleider ook iets vertellen en daarmee de druk van een kind afnemen werkt vaak beter. Een stil kind gaat alleen iets vertellen, als zijn of haar aandacht getrokken wordt door iets interessants, en als het daardoor vergeet stil te zijn.
Kinderen die veel vertellen kunnen zich soms verliezen in een woordenstroom waarnaar niemand meer luistert, of sterk gericht zijn op indruk maken met mooie woorden. Die help je als begeleider niet door ze af te kappen als je vindt dat het lang genoeg geduurd heeft, maar door hun aandacht op concrete details en deelaspecten van hun verhaal te richten. Dat kan ze even in verwarring brengen. Uiteindelijk helpt het hen om de zeggingskracht van hun verhaal te vergroten.
Je zoekt bij het vertellen dus steeds naar wat een kind zou kunnen stimuleren. In een taalronde worden mondelinge bijdragen van kinderen altijd ook schriftelijk of in een tekening vastgelegd. Daardoor vermijd je het gevaar dat je verlegen of onzekere kinderen vergeet. Het voorlezen van hun teksten en het tonen van hun tekeningen brengt hun verhalen op een veilige manier in de groep.