Vertellen over ervaringen
- Uitnodigen tot vertellen
- Veel of weinig vertellen
- Vragen naar kennis of ervaring
- Wat je ziet precies beschrijven
- Woorden zoeken bij een ervaring
- Associeren op voorwerpen
- Inzakmomenten vertelkring
- Duur van een vertelronde
- Gesprekken buiten de les
- Samen weten kinderen veel woorden
- Gewone of bijzondere ervaringen
- Taalrondes kunnen met alle groepen
- Iedereen kan meedoen
Samen weten de kinderen heel veel woorden
We doen in groep 6 een rondje met de vraag: ‘Wat heb je vanmorgen weggegooid?’ Ik denk dat het wel snel kan gaan, maar merk in deze groep dat er veel tijd nodig is om de juiste woorden te vinden voor iets wat ze bedoelen. Ismet zegt dat hij met brood heeft gegooid naar de vogels, ik vraag of het zijn eigen brood was, hij zegt ‘nee, de randjes’, ik: ‘o ja, die randjes van een boterham’, andere kinderen zeggen het woord ‘korstjes’, ik herhaal dat woord. Sevda wil iets zeggen over verpakking van kauwgum, maar weet niet hoe ze het moet uitleggen, ze noemt de naam ‘Sportlife’ , iedereen helpt met suggesties over hoe dat heet waar het in zit: papiertje? hoesje? plastic? Ze zien het allemaal voor zich, die twaalf kauwgummetjes die in dat dingetje zitten, maar het is lastig om met woorden uit te leggen hoe het er uit ziet. Na enige tijd zeg ik dat ik wel begrijp wat ze bedoelt. Daarna zegt Hicham dat hij een flesje met snoep heeft weggegooid. Ik vraag wat voor snoep er in zat. ‘Kauwgum’, zegt Hicham. Ik begrijp het niet, kauwgum in een flesje, maar zie dat andere kinderen het kennen. Nu kost het weer veel tijd om duidelijk te maken hoe dat zit. Hicham zegt dat het net zo is als tandpasta. Je moet in het flesje ‘zo doen’ (hij maakt gebaar van knijpen), ik vraag ‘knijpen?’ en hij knikt ‘ja knijpen’, en dan komt de kauwgum er uit. Ik vraag of het dan wel een flesje is. Nee, zoals bij tandpasta, zeggen ook andere kinderen. ‘Hoe heet dat, waar de tandpasta in zit?’ vraag ik. Iedereen denkt, niemand weet het woord, ze gaan heel erg zoeken, enkele kinderen die wel een gooi durven te doen zeggen woorden zoals ‘hoesje’ en ‘borstel’ (ook iets waar de tandpasta op zit). Ik zeg dat ik het een ‘tube’ noem. Xavira naast me begint heftig te knikken, daardoor denk ik dat zij het woord misschien wel wist maar niet durfde te zeggen. Ik vraag hoe je het schrijft en schrijf twee versies op het bord die zij noemen: tube en tubu. Bij stemming denken de meesten toch ‘tube’ en ik bevestig dat dat de goede spelling is. Ik werp op, dat 'tubu' misschien de Turkse spelling is. In de ronde worden verder nog genoemd: colablikje, bananenschil, snoeppapiertje, plastic zakje, vuilniszak, cd (Ali vertelt dat zijn broertje een cd doormidden heeft gebroken). Ik vraag na de laatste hoe ze dat noemen, dingen die je weggooit. De woorden die ik hoor schrijf ik op het bord: vuilnis, troep, rotzooi, afval. Zelf bedenk ik nog ‘rommel’.
We doen bij de kleuters een rondje waarbij elk kind iets vertelt over haar of zijn jas. Ik begin met de vraag ‘hoe maak je je jas dicht? Met knopen, een rits of klittenband of nog iets anders?’ De kinderen denken na over hun eigen jas. Ze noemen ritsen, knopen, ook: touwtjes. Daarbij blijf ik stilstaan en vraag waar die touwtjes precies zitten en wat je ermee moet doen. Dat maakt dat ze naar woorden zoeken om dat uit te leggen. Twee touwtjes bij de capuchon, en dan zo. Hoe zo? Een strik. Wat is een strik? Er wordt gewezen op gestrikte veters in de kring. Ja, dat is een strik. Maar ook wordt genoemd: touwtjes in een knoop. Wat is dan een knoop? Nu wijzen sommige kinderen op een knoop van hun kleren. Ja dat is ook een knoop. Maar touwtjes in een knoop kan ook.. Een kind vindt: ‘een soort rondje’. Dat is een mooie poging tot beschrijving. Alisa probeer uit te leggen hoe de sluiting van haar jas werkt, het zijn geen knopen en ook geen rits, een soort dingetjes die je zo doet… er is geen woord voor. Ik vraag hoe groot ongeveer en hoeveel het er zijn en of het moeilijk of makkelijk is. Dat kan ze allemaal beantwoorden. Op haar tekening later zie ik een soort clipjes.
Ihsane vertelt in groep 4 dat ze geld vond toen ze naar de moskee ging. De meester wil precies weten waar het lag. ‘Het lag bij een huis.’ 'Maar waar dan bij het huis?' Ihsane: ‘Zo iets plat, bij de deur.’ De meester vraagt de anderen hoe je dat noemt, een plat stukje bij de deur? Kinderen noemen woorden: mat, kleed, stoep, opstapje. Allemaal dingen die op de grond kunnen liggen bij de deur. Ihsane zegt dat het van steen was. De meester schrijft alle woorden op het bord en voegt eraan toe: drempel. Hij bekijkt samen met de kinderen welke van die woorden kunnen gaan over iets van steen. |
Is het onder woorden brengen van ervaringen te moeilijk voor die kinderen voor wie het nou juist bedoeld is? Is het zo dat kinderen met een beperkte woordenschat het niet prettig vinden om over een ervaring te vertellen en te schrijven? Zou je deze kinderen eerst een aantal woorden aan moeten leren die te maken hebben met het onderwerp? Zodat ze die kunnen gebruiken om hun ervaring te verwoorden?
In taalrondes beginnen we altijd met een interessant onderwerp waar alle kinderen over willen vertellen. We weten dat dat ook kan als je nog maar weinig Nederlandse woorden tot je beschikking hebt. Je breidt je woordenvoorraad uit door taal actief te gebruiken in een situatie die gericht is op communicatie, en waarin je binnenin die communicatie nieuwe woorden krijgt aangereikt. Of kinderen het prettig vinden om over ervaringen te vertellen heeft minder te maken met hun woordenschat, dan met zelfvertrouwen en een veilige sfeer.
Kenmerkend voor taalonderwijs aan de hand van taalrondes is de volgorde:
- eerst met hulp van iedereen in een groep ervaringen verwoorden,
- dan kijken welke woorden naar voren zijn gekomen die je als leerkracht belangrijk vindt voor woordenschatuitbreiding,
- dan eventueel daar oefeningen mee bedenken en relevante woorden toevoegen.
Het is opvallend dat een groep kinderen altijd meer woorden kent dan een individueel kind, zodat het soms niet eens nodig is dat de leerkracht nieuwe woorden aanreikt. Als leerkracht kom je er vaak niet achter welke woorden kinderen zelf al kennen. Dat komt vooral doordat er niet genoeg naar gevraagd wordt, en kinderen niet genoeg gemotiveerd zijn om te zoeken. Tijdens de gesprekken in een taalronde is dat, als het goed is, juist wel het geval. Taalrondes geven ware stortvloeden van woorden, doordat een begeleider doorvraagt naar steeds nauwkeuriger en beeldender beschrijvingen.
Kinderen gaan in taalrondes actief zoeken, associëren, experimenteren, raden en nadenken. Het gaat niet alleen om het laten opkomen van woorden, maar ook om het nadenken over betekenissen en samenhangen van woorden. Vaak bestaan er verschillende woorden voor hetzelfde, en is niet een woord het juiste. Bijvoorbeeld: trekker, ramenwasser, ramenlapper, ramenwisser. Door bij een voorwerp niet te vragen ‘wat is dit?’, maar ’hoe noemen jullie dat?’ is de kans groot dat de kinderen verschillende woorden noemen, en kan vervolgens gepraat worden over wat de verschillen zijn. Als het juiste of een belangrijk woord niet genoemd wordt door de kinderen, kan de begeleider daar alsnog mee komen.