Iedereen kan leren schrijven

Vertellen over ervaringen

Met een taalronde kan iedereen meedoen

We doen met de kleuters weer een namenrondje. Ze weten het al. ‘Weer over hoe je slaapt’, zegt een kind. De vorige keer was dat het onderwerp. 'Nee, laten we nu iets anders doen,' zeg ik. ‘Over welke jas je vandaag aan hebt.’ Dat kan iedereen heel makkelijk bedenken en als je verlegen bent kan je ook gewoon ja of nee schudden als ik een kleur noem. Ook heeft het enigszins een relatie met mijn onderwerp van vandaag: regen. Ik ben benieuwd naar regenjassen of capuchons. De kinderen die nauwelijks hun eigen naam durven te noemen vallen me duidelijk op. Ook degenen die meteen voor een ander de naam roepen of zelfs de kleur van diens jas.Ik neem me voor om vast te houden aan de gewoonte van een namenronde, zodat de kinderen de kans krijgen eraan te wennen.

Rimsja, die de vorige keer huilde, huilt deze keer niet en kijkt de hele kring met belangstelling naar mij en naar het boek. Ze zegt haar naam niet, ik noem allerlei kleuren voor haar op voor haar jas, ze geeft geen zichtbare reactie, terwijl om haar heen allerlei kinderen het voorzeggen. Ik wijs op kleuren die ik om me heen zie in de kring en kijk haar daarbij vragend aan. Ineens zie ik haar lippen bewegen, Els die naast haar zit heeft het verstaan: ‘oranje’. Hasjim naast mij is ook erg verlegen en fluistert zachtjes een kleur in mijn oor.

 

Ik lees in een MLK-groep een kindertekst voor over een avond dat het licht uitviel en vertel meteen erna over een situatie van mezelf: dat ik mijn fiets in de fietsenkelder wou zetten en toen deed het licht het niet meer. Hoe ik toen weer helemaal terug naar huis moest om een zaklamp te halen.

Ik vraag wie ook wel eens gehad heeft dat ergens het licht stuk ging. Er komen verschillende vingers. Natalya vertelt dat bij haar thuis de tv het niet meer deed, en toen probeerde haar vader het licht en dat deed het ook niet meer. Ik vraag wat ze toen gedaan hebben. Doordat ze zich de situatie weer voor de geest haalt, herinnert ze zich nu ook weer dat haar vader in de gang uitgleed over een balletje dat daar lag. Er komen nog meer verhalen, over licht dat uitviel en in de hele flat was het uit; vaders die in de meterkast gingen kijken; een moeder die op een trap klom bij de voordeur om een lamp uit te draaien. Nu en dan krijg ik het gevoel dat verhalen een beetje aangedikt worden. Daarom stel ik een nieuwe vraag: wie heeft wel eens expres de lichten uitgedaan? Zelf herinner ik me dat de kinderen alle lichten uit deden om te zien hoe de lampjes van de kerstboom er uit zagen. Clarissa vertelt dat ze een hut hadden gemaakt en toen deed haar broer het licht uit en ging schijnen met de zaklamp. Hij maakte schaduwen met zijn hand op de deken. Er komen niet veel meer verhalen hierover, dus stel ik weer een nieuwe vraag: wie heeft thuis of buiten bij huis plekjes die altijd heel donker zijn? Nu komt er meteen veel meer: trappenhuizen waar het licht het niet meer doet, tunneltjes, hoekjes bij de lift, boxen. Jeffrey vertelt over de zolder waar hij bezig was en toen deed zijn vader beneden ineens het licht uit, want hij wist niet dat Jeffrey daar was. Ik vraag of hij bang werd of ging roepen. Nee, maar hij struikelde over een autootje en dat autootje viel toen van de trap af. Ik zie vingers van kinderen die al iets verteld hebben, maar vraag aan Sabienne, die nog niets gezegd heeft ,of ze ook zo’n plekje kent waar het donker is. Nee, schudt ze eerst. Ik houd aan: 'zo’n plekje waar je eigenlijk niet durft te komen.' Nu begint ze ineens toch te vertellen over de galerij bij haar huis, en dat ze niet bang is. Clayton vertelt dat het licht op de trap vaak uit is, hij durft er toch gewoon te lopen ook al is het eng. 'Wat is er dan precies eng,' vraag ik. Hij vertelt dat er vaak junks liggen. Op mijn vraag waar ze dan liggen vertelt hij steeds preciezer: ze liggen onder de platformpjes van de trap en maken geluiden, en zijn moeder zegt: ‘loop maar gewoon door, als ze er aan komen sla ik ze met mijn paraplu!’

Hoe bereik je dat alle kinderen in een taalronde kunnen meedoen, ongeacht hun taalniveau, hun culturele achtergrond of hun leeftijd? Allereerst door te zoeken naar een gespreksonderwerp dat voor iedereen interessant is, waarmee iedereen ervaringen heeft, en waar iedereen wel over kan en wil vertellen. Zo'n onderwerp heb je niet altijd onmiddellijk te pakken. Vaak zit het hem meer in het ontdekken van concrete invalshoeken bij een onderwerp. Hoe meer van die invalshoeken je vindt, hoe meer kinderen zich erin beginnen te herkennen. Als begeleider merk je zelf ook hoe het werkt: van het ene verhaal op het andere komen, steeds meer zin krijgen om iets te vertellen aan een ander.

Maar er is meer nodig dan een goed onderwerp. Ook de werkvormen en interactie-vaardigheden van de leerkracht zorgen ervoor dat alle kinderen kunnen meedoen. Meedoen betekent: actief betrokken zijn bij wat er gebeurt in de taalronde. Het betekent ook: een talige bijdrage leveren in de vorm van een verteld verhaal en een geschreven tekst. Kinderen die niet of weinig vertellen in de grote kring, hebben vaak wel goed geluisterd en er zijn associaties in hun hoofd opgekomen. Ze kunnen deelnemen aan de volgende stap, het maken van een lijstje. Tijdens het tweetalgesprek krijgen ze een nieuwe kans om hun verhaal aan iemand te vertellen. En aan het eind van de taalronde ligt er van elke deelnemer een tekst.
De teksten uit een taalronde zijn een soort aanknopingspunten. Ze geven de mogelijkheid om later door te gaan op een bijdrage van een kind, ook al is dat kind verlegen of minder taalvaardig. Vaak gaan zulke kinderen naar aanleiding van vragen over hun tekst ineens veel meer en beter vertellen, dan bij een vrije vertelbeurt.
De stapel kinderteksten die uit een taalronde voortkomt, is een bron van informatie en een geheugensteun voor de leerkracht. Als je hem doorkijkt, weet je weer waar elk kind over vertelde, hoe hij of zij dat deed, met welke taalproblemen het worstelt bij het vertellen en het schrijven. Het kan je helpen voor elk kind na te denken over een volgende stap.