Onderwerpen
- Als afgeweken wordt
- Boek als begin, boek als vervolg
- Onverwachte taalronde kleine kring
- Taalronde n.a.v. sprookje
- Fantasie en ervaring
- Jeugdjournaal als begin taalronde
- Waar iedereen ervaring mee heeft
- Onvoorbereid een onderwerp vinden
- Steeds de invalshoek veranderen
- Taalrondes over pesten
- Taalrondes en moraal
- Taalrondes en verdrietige ervaringen
- Clichés in een taalronde
- Onderwerp zoeken tijdens vertelkring
Een boek als begin, een boek als vervolg
Ik lees bij mijn kleuters het boek 'Slaap lekker meneer beer' voor terwijl ik de platen laat zien. Het gaat over meneer beer die niet kan slapen en steeds andere plekken zoekt om te slapen: in de kamer van baby beer, in de keuken, in een stoel in de woonkamer, in de tuin, in de auto. Tenslotte kruipt hij weer in zijn eigen bed, maar dan gaat de wekker al. De kinderen vinden het grappig om te zien op welke plekken hij probeert te slapen. Als het boek uit is vraag ik ze om nog eens alle plekken op te noemen. We doen het samen en ik zoek steeds de platen erbij. In de kamer van babybeer ligt hij op de grond met zijn kamerjas over zich heen. Daar ga ik op door. Ik vertel dat ik ook een keer op de grond heb geslapen toen ik bij mijn vriendin bleef slapen. Ze legde een matras voor mij op de grond. En een slaapzak. Ik vraag wie ook wel eens ergens op de grond geslapen heeft. Er komen meerdere vingers. Een kind vertelt dat ze bij haar zus in de kamer op de grond sliep. Een ander bij haar grote nichtje. Ik vraag waarop ze precies lagen. Op een matje. Op een matras. Nu begint de vertelronde, waarbij ik probeer zoveel mogelijk kinderen preciezer te laten vertellen over een plek waar ze geslapen hebben. Ik gebruik soms hun verhalen om een nieuwe invalshoek in te brengen.
In groep 8 lees ik een stukje voor uit het boek 'Wim' van Wim Hofman. Wim woont vlakbij het strand, het boek begint met een stukje over wat er allemaal op dat strand ligt. Ik heb het uitgekozen omdat het een heel nauwkeurige beschrijving geeft van een plekje op het strand, en er zit ook een opsomming van de onderdelen van een berg rotzooi in. Die opsomming lees ik drie keer voor, ik wil dat ze heel goed horen wat het allemaal is, omdat er een soort ritme in zit vraag ik ze ook nog om mee te tellen hoeveel dingen het zijn. Dat maakt dat ze nog beter luisteren. Hoeveel het nu precies is maakt mij niets uit. Een tweede fragment gaat over rommel in een hotelkeuken waar Wim als knechtje werkt. Ook weer opsommingen van wat er allemaal uit de keukenlift komt. Ik vertel wat er allemaal bij mij op het aanrecht ligt terwijl ik aan het koken ben en vraag bij wie het in de keuken ook wel eens een enorme rommel is. Kinderen steken hun vinger op. Zo gaat het voorlezen vanzelf over in de vertelronde.
In groep 4 lees ik een verhaal van Max Velthuis voor over zware regenval bij het huis van kikker en hoe de huizen onderlopen. Op het laatste plaatje zien we de dieren bezig met het weer schoonmaken van het huis, dat vol modder is. De kinderen kijken goed, iemand zegt: ‘ze zijn ook aan het verven’. Inderdaad staat het varkentje in een hoek van de kamer een stukje plafond te schilderen. Ik denk aan mijn eigen plafond en de gele vochtplekken boven mijn bed, waar bij erge regen het water doorheen komt. Ik vertel erover en meteen zegt David dat dat bij hem ook zo is. Zo rollen we in de vertelronde. Als David verteld heeft over de druppels die in de slaapkamer vielen en de emmer die hij eronder moest zetten van zijn moeder, vraag ik wie ook wel eens heeft gehad dat er water naar binnen kwam in het huis. Het leidt tot allerlei verhalen, over ramen die openstaan en waar het inregent, plassen water op vloeren en natte boeken. Ook komen er een paar verhalen over overstromende wasbakken en buren die naar boven komen rennen.
Er wordt in mijn SBO-middengroep heel aandachtig geluisterd en gekeken naar het prentenboek Borre. Sommige kinderen kennen het al. Het boek brengt me op verschillende invalshoeken met betrekking tot dieren: dieren die aan komen lopen, dieren die je eten geeft. Ik gebruik in dit geval de platen meer dan de tekst, omdat ik ze heel beeldend vind. Ik blader terug naar een plaat waarop de poes voor de deur staat, en vertel meteen hoe de poes van de buren op ons balkon sprong en niet meer weg wou. Onmiddellijk zie ik vingers om me heen van kinderen die iets te binnen is geschoten.
We hebben met de kleuters een boek gemaakt over dingen die met je haren gebeuren. Ik lees het in de kring voor. Naar aanleiding van verschillende tekeningen vraag ik de kinderen opnieuw naar hun ervaringen. Er ontstaat een nieuwe vertelkring over haren. Er is nog tijd en aandacht over en we bekijken het boekje “Naar de kapper”. Ik laat alleen de plaatjes zien die te maken hebben met waar we het zelf over gehad hebben. Over een doek om je heen als je geknipt wordt, over de haren die op de grond vallen, over in de spiegel kijken, over haren wassen en haren drogen. De aandacht is er nog steeds. Het onderwerp boeit ze heel erg, nog meer dan vanmorgen. Ze zitten er nu echt goed in. Als ik vraag wie er in de leesluisterhoek naar de boekjes over de kapper wil luisteren, zijn er heel veel liefhebbers. |
Voorlezen is een prettig begin van een taalronde. Er hoeft nog niets, behalve luisteren. Iedereen zit rustig in de kring. Het roept van alles op, in je eigen hoofd, in de hoofden van de kinderen. Daarmee kan je verder werken.
Hoe kies je wat je gaat voorlezen? Je kunt een prentenboek kiezen, een stukje uit een leesboek of een gedicht uit een bundel. Het kan zijn dat je een onderwerp voor de taalronde in je hoofd hebt, en daar een boek of boekfragment bij zoekt. Het kan ook andersom gaan: je wordt geraakt door een boek of gedicht, en je zoekt daarin naar goede onderwerpen.
Boeken zijn bruikbaar voor taalrondes als er veel verschillende aanknopingspunten in zitten om met kinderen op door te gaan. Zulke aanknopingspunten hoeven niet het hoofonderwerp van een boek te zijn (bijvoorbeeld: bij Kikker in de kou: 'winter'). Ze kunnen ook gevonden worden in de illustraties, in een van de hoofdstukken, op een enkele bladzijde, zelfs in een enkele zin. Het gaat erom, dat iets in het boek voor jou en de kinderen herkenbaar is, en dat dat genoeg aanspreekt om met iedereen over te gaan vertellen en schrijven. In goede kinderliteratuur vind je meestal veel van zulke aanknopingspunten.
Na het voorlezen komen kinderen soms vanzelf met hun associaties en gedachten. Daarvoor kan je ruimte geven, om op een gegeven moment het uiteindelijke onderwerp (waar elk kind iets bij kan vertellen) vast te stellen. Je kunt ook eerst komen met een eigen associatie, en die laten volgen door een uitnodiging aan de groep om iets soortgelijks te vertellen. Je kunt het ook voorbereiden, door een reeks onderwerpjes met bijbehorende vragen op te schrijven en bij de hand te houden.
Als een taalronde klaar is, kan het zinvol zijn om nieuwe boeken of gedichten te lezen over hetzelfde onderwerp. De kinderen zijn al intensief met het onderwerp bezig geweest, en lezen nieuwe teksten met extra belangstelling. Hun woordenschatontwikkeling is daarbij gebaat: de bestaande netwerken van woorden worden verder uitgebreid en de kans dat ze zelf nieuwe woorden uit de context afleiden is groot.