Iedereen kan leren schrijven

Onderwerpen

Fantasie en ervaring

Sommige kleuters beginnen eerst met een fantasieverhaal. Luka bijvoorbeeld tekent een groot huis en een klein poppetje onderaan. Ze zegt: 'dat is mijn zusje, die is uit het raam gevallen.' Ik zeg: 'zo, echt waar?' Ja, knikt ze. Ik stel vragen over haar zusje, hoe oud die is, wat ze al kan. Hoe ze loopt, of ze wel eens op de grond valt als ze rent. Luka is eerst een beetje terughoudend en begint af en toe weer over dat raam en hoe haar zusje er uit valt, helemaal naar beneden. Ik ga steeds terug naar echte ervaringen rond het zusje. Als ik haar vraag of ze haar zusje wel eens helpt of optilt gaan haar ogen ineens oplichten, ze gaat erbij staan en laat zien hoe ze haar kleine zusje oppakt onder de oksels (schouders noemt ze die). Ik vraag door, over wat haar zusje dan doet. Ze vertelt enthousiast, zegt ook dat haar zusje dat leuk vindt. Ik vraag hoe ze dat weet. Die vraag zet haar enorm aan het denken, ze komt er niet goed uit: 'Dat weet ik gewoon.' Ik dram niet door, maar ga herhalen hoe ze verteld heeft over haar zusje oppakken. Samen formuleren we de tekst: als mijn zusje zit dan gaat ze staan en dan ga ik haar optillen. Ik ga staan en dan pak ik haar en dan gaat ze springen. Dan gaat ze mij duwen. Dan gaat ze lachen. Er blijkt overduidelijk uit hoe leuk het zusje het vindt als Luka haar optilt. We zijn helemaal af van het verhaal over uit het raam vallen, zonder dat het vervelend voor Luka is.

Sommige kleuters laten zich meeslepen door associaties op hun eigen tekeningen. Ze beginnen te fantaseren, zeggen bijvoor­beeld 'en het beertje viel naar beneden', alleen omdat ze ergens een beertje getekend hebben. Virin vertelt over een schildpad met een vlinder op zijn rug, het is een mooi beeld, dat hij het heeft gezien is niet erg waarschijnlijk. Ik laat het zo; als we langer met taalrondes werken merken kinderen vanzelf hoeveel ze over echte beleve­nissen kunnen vertellen, en hoe interessant dat is.

De grens tussen fantasie en werkelijkheid is bij kleuters niet altijd zo scherp. Ze kunnen zich meestal gemakkelijk in een fantasieverhaal laten meeslepen, of een echte ervaring ineens laten omslaan in een gefantaseerde gebeurtenis. Het besef van wat echt kan en wat niet, is bij jonge kinderen nog niet glashelder. Veel dingen zijn voor hen immers nog nieuw en onverklaarbaar, en hun fantasie helpt ze om daarmee om te gaan.
Ook voor oudere kinderen is fantasie een belangrijk vermogen. Voor hen zijn fantasiewerelden oefenterreinen of vluchtplekken, waar andere wetten en grenzen gelden dan in hun gewone leven. Strips en fictie lezen, films kijken, rollenspelen zijn manieren om in die werelden terecht te komen.

Vertellen en schrijven over fantasie-onderwerpen kan leuk zijn om te doen en mooie resultaten opleveren. Maar het heeft ook zijn beperkingen. Voor veel kinderen zijn fantasie-opdrachten helemaal niet leuk en geven ze evenmin mooie resultaten. Ze vinden het moeilijk, weten niks of krijgen het gevoel dat ze iets interessants, origineels of indrukwekkends moeten bedenken. Dat kan maken dat ze hun echte ervaringswereld als oninteressant inschatten, een negatief zelfbeeld ontwikkelen en hun toevlucht zoeken tot verzinsels, na-apen of clichés.

In taalrondes richten we ons primair op echte ervaringen, om:

  • kinderen meer vertrouwen te geven in zichzelf en in hun eigen ervaringen
  • het voor onzekere of taalzwakke kinderen gemakkelijker te maken om te vertellen en te schrijven
  • kinderen te motiveren tot het zoeken naar de juiste woorden voor wat ze om zich heen zien
  • kinderen uit te dagen na te denken over wat ze zelf meemaken
  • clichématig taalgebruik te omzeilen en persoonlijk taalgebruik te stimuleren

Op die manier combineert je in taalrondes zelfvertrouwen en taalontwikkeling. Kinderen van groep 1 tot en met 8 merken dat hun ervaringen de moeite waard zijn om over te vertellen, naar te luisteren, over te schrijven en over te lezen. Het kritische oor van de leerkracht en de andere kinderen zorgt ervoor, dat ze dat allemaal steeds beter gaan doen.