Iedereen kan leren schrijven

Onderwerpen

Taalrondes over pesten

We willen in groep 8 kijken of we een taalronde kunnen doen over pesten. Het woord 'pesten' is op zichzelf heel globaal. Kinderen weten vaak wel wat ze ermee bedoelen, maar leggen het niet uit. Er zijn vragen voor nodig om ze te laten vertellen wat er precies gebeurde. Hoe pestte je Debbie dan precies? Weet je nog van een keer dat je dat deed? Wat deed of zei Debbie toen? En wat deed jij daarna? Hoe reageerden die andere kinderen en waar gebeurde het?

In de kring vind ik het belangrijk dat de details van pest-situaties onder woorden worden gebracht. Ik ben niet tevreden als iemand zegt: 'En toen sloeg ik hem in elkaar.' Ik wil precies weten wat hij deed. Schoppen? Tegen zijn hoofd stompen? Duwen? Aan kleren trekken? Hoe lang ging dat door? Viel hij op de grond? Ging hij huilen? Hoe stopte het? Op welke plek gebeurde het? Wat zei jij, wat zei hij?

Yasin schrijft: Toen kwam een dikke jongen en hij deed zomaar stoer. Ik wil weten hoe hij precies stoer deed. Dat is niet makkelijk te beschrijven, blijkt. Yasin denkt hard na en zegt tenslotte: 'Gewoon, hij kwam stoer aanlopen en zei toen mag ik meedoen.' Ik vraag door hoe dat eruitziet, stoer aan komen lopen. Het is lastig, duidelijk wordt mij dat die jongen zich provocerend gedroeg door zijn houding, maar hoe dat er nu uit zag kom ik niet te weten. Ik schrijf met goedvinden van Yasin zijn zinnetje erbij: Hij kwam stoer aanlopen en hij zei: mag ik meedoen. Volgende zin: Toen hadden mijn vriendjes en ik hem gepest. Bij doorvragen blijkt dat ze hem begonnen uit te schelden. Even later herinnert Yasin zich dat er een andere jongen bij kwam, een Nederlandse jongen die zij wel kennen. Die zei dat ze moesten ophouden en dat deden ze toen. Duidelijk was dat een jongen met een zeker gezag. Ik praat er met Yasin nog even over door. En ik merk dat door al die details de pest-ervaring ineens diepte krijgt, ik ga het beter snappen, Yasin snapt het zelf ook beter nu hij gedwongen wordt het aan mij duidelijk te maken zonder dat ik hem veroordeel. Het enige wat ik doe, is vragen stellen en soms iets herhalen en dan vragen of ik dat goed gesnapt heb. Het blijft Yasins ervaring.

 

In groep 5 wordt veel gepest volgens de meester. Hij vraagt of ik er een taalronde aan wil besteden. Ik zeg dat niet tegen de kinderen, maar begin met een rondje waarin iedereen vertelt wat hij vanmorgen heeft aangeraakt met zijn handen. Daarna vraag ik wie er een mens heeft aangeraakt. Maar in de kring zie ik allerlei kinderen elkaar aanraken. Ik wijs op Gianni en Davey die de hele tijd met hun armen om elkaars schouders zitten. Davey zegt dat ze dat doen omdat ze vrienden zijn. Ik vraag naar andere manieren om elkaar op een aardige manier aan te raken: hand geven, over de rug wrijven. Dan stap ik over op onaardige aanrakingen. De kinderen noemen allerlei voorbeelden op en ik maak er een lijst van op het bord: knijpen, duwen, schoppen, slaan, aan haren trekken etcetera.

Aan de hand van de woorden op het bord praten we door over ervaringen met onaardig aanraken en aangeraakt worden. Ik vraag naar per ongeluk en expres iemand onaardig aanraken. Veel verhalen gaan over iemand per ongeluk duwen in de rij. Ik vraag wat er dan gebeurt. Er wordt meestal op gereageerd door terug te duwen. Als ze blijven steken in algemene termen als pesten, plagen, vervelend doen, vraag ik door. Ik wil voor me kunnen zien hoe dat eruitziet.

Pesten is niet een onderwerp waar kinderen gemakkelijk over kunnen vertellen. Als je zelf gepest wordt is dat pijnlijk om te vertellen. Als je zelf iemand gepest hebt vertel je dat ook niet zomaar, want wie weet wat de juf of meester daarvan zegt. Pesten gebeurt wel, op elke school, in bijna elke groep. Het onderwerp ‘pesten’ wordt op school behandeld als een moreel geladen onderwerp. Pesten hoort niet, het richt schade aan, je moet het niet doen. De kinderen weten dat natuurlijk ook wel, al handelen ze er niet altijd naar.

Projecten over pesten gaan meestal minder over ervaringen dan over meningen. En dan nog weer minder over de meningen van de kinderen dan over de meningen van de volwassenen. Kinderen kennen die volwassenen-mening. Zij zeggen in de kring gemakkelijk wat zij denken dat de leerkracht graag wil horen: pesten is gemeen, je mag het niet doen. Kinderen zijn vaak heel slim in het vertellen van model-verhalen of het geven van sociaal gewenste antwoorden. De vraag is wat je aan zulke verhalen en antwoorden hebt. Wordt het pesten er minder door? Krijgen de kinderen meer inzicht in wat pesten is en wat het met je doet?

Kinderen vertellen vaak oppervlakkig over pesten. Alleen het woord 'pesten' is al oppervlakkig. Als je iemand pestte, wat deed je dan precies, en wat deed die ander, en waar ge­beurde het, hoe zag het eruit, en hoe was het daarvoor en daarna? Er zijn veel vragen nodig om een 'pestervaring' duidelijk door kinderen verwoord te krijgen. En er zijn veel woorden nodig om duidelijk te maken wat er precies gebeurde.

Verder blijken vragen naar gevoelens, zowel die van de pesters als die van de slachtoffers, voor kinderen moeilijk te beantwoorden. De vraag 'en hoe voelde dat?' wordt vaak gesteld met het verborgen doel, het normbesef bij de kinderen op te roepen. Het obligate antwoord 'niet leuk' is dan snel gegeven en geaccepteerd, waarmee de moeilijkheid van het verwoorden van ingewikkelde of tegenstrijdige gevoelens wordt omzeild.

Welke richting geef je aan een taalronde over pesten? Het doel van een taalronde is: zo precies mogelijk een eigen ervaring onder woorden brengen. Daaruit volgt: opnoemen wat wel en niet hoort is eventjes minder belangrijk. En ook je mening geven over wat een kind vertelt, kan beter even worden uitgesteld. Nauwkeurig vertellen is al moeilijk genoeg.

Het onderwerp vraagt om een inten­sief begeleide vertelronde als begin. En dan blijken er allerlei invalshoeken te bestaan die het onderwerp voor iedereen herkenbaar en concreet maken. Voorbeelden van zulke invalshoeken:

  • wat je doet om moeilijke situaties te vermijden
  • later bedenken wat je had kunnen doen in een moeilijke situatie
  • tevreden zijn over iets dat je zelf hebt opgelost
  • iemand raakt je op een vervelende manier aan
  • ergernis in het verkeer of op straat
  • iemand ergens mee helpen of juist niet helpen
  • mensen die je nadoen
  • iemand aan het schrikken maken of bang maken
  • iemand voor de gek houden of voor de gek gehouden worden
  • wel of niet mogen meedoen met iets
  • iets wat je moeilijk vindt toch doen

Zo voorkom je, dat het begrip pesten meteen geassocieerd wordt met hele erge excessen. Iedereen blijkt ervaringen te hebben met pesterig gedrag, van anderen of van zichzelf. En geen twee van die ervaringen zijn precies gelijk. Leerkrachten die doorvragen naar de details van zulke ervaringen, helpen kinderen zelfstandig na te denken over hun eigen gedrag en dat van anderen.