Onderwerpen
- Als afgeweken wordt
- Boek als begin, boek als vervolg
- Onverwachte taalronde kleine kring
- Taalronde n.a.v. sprookje
- Fantasie en ervaring
- Jeugdjournaal als begin taalronde
- Waar iedereen ervaring mee heeft
- Onvoorbereid een onderwerp vinden
- Steeds de invalshoek veranderen
- Taalrondes over pesten
- Taalrondes en moraal
- Taalrondes en verdrietige ervaringen
- Clichés in een taalronde
- Onderwerp zoeken tijdens vertelkring
Onvoorbereid op een goed onderwerp komen
Ik heb een verzwikte voet maar ben toch naar school gekomen voor een taalronde in mijn groep 5. Thuis heb ik in een oud kinderboek van mezelf zitten lezen, 'Bibo het wonderkonijn'. Ik heb het meegenomen met het idee dat ik er iets mee kan doen. Een stukje voorlezen, en dan aan de kinderen vragen of ze ook verhalen over dieren kennen, en dan die verhalen laten vertellen? Ik denk dat dat misschien een moeilijke opdracht is voor kinderen die moeilijk of weinig lezen, en dat je er vooral mee test of ze een bestaand verhaal kunnen reproduceren. Bovendien gaat het dan niet over hun eigen ervaringen. Wat te doen, het is al bijna half negen. Ik blader door het boek. Het begin gaat over een konijn dat heel slim is en van alles kan. Ik denk aan mijn eigen konijn dat deze zomer ineens in staat bleek zijn kooi open te duwen, en zo ontsnapte in de tuin van mijn vader. We zouden het kunnen doen over dieren die iets bijzonders kunnen. Intussen loop ik naar boven. Ik stel mezelf gerust dat er heus iets uit komt.
In de kring vertel ik hoe ik gisteren thuis zat met mijn enkel. De kinderen luisteren geïnteresseerd. Enkelen willen ook vertellen over iets dat ze een keer aan hun voet hadden. Daarna vraag ik over de vervangende juf van gisteren. De kinderen vertellen hoe de invaljuf dacht dat er 'tekenen' op het programma stond, dus gingen ze tekenen. Toen zag ze ineens dat er eigenlijk 'rekenen' stond. We moeten er allemaal om lachen. Er is een gezellige, betrokken sfeer in de kring. Precies de sfeer die nodig is voor een goede taalronde. Ik begin te vertellen over het oude kinderboekje en laat het zien. 'Het is een beetje oud,' zegt iemand. We hebben het erover waar je dat aan kan zien: het papier is bruinig, het hangt een beetje los, het is gescheurd. 'Je ging altijd mee lezen!' zegt een kind. 'Ja,' zeg ik, 'het is veel gebruikt. Ik dacht: ik ga het nog eens lezen. Ik heb me rot gelachen!' De kinderen zijn benieuwd, ze vinden het duidelijk leuk als ik zeg dat ik een stukje ga voorlezen. 'Staan er plaatjes in?' Niet zo erg veel. Ik zeg dat er soms ouderwetse woorden in staan, van vroeger. En dat ze het moeten zeggen als ze een woord niet snappen. Ik begin voor te lezen. Meteen is er al een woord: 'wit dons-staartje', wat is 'dons'? Overal vingers. 'Gewoon zacht,' zegt iemand. 'Wie hebben nog meer dons?' vraag ik. Weer vingers. 'Kleine vogeltjes.' 'Struisvogels.' Zo wordt bespreken we samen het woord en rijst uit het gesprek de betekenis op. Even later wordt het konijn Bibo een 'konijn met verstand' genoemd. Wat is 'verstand'? 'Dat je slim bent,' zegt een kind. 'Dat je kan nadenken,' zegt een ander. Jamal roept: 'Hersens!' En een vierde zegt: 'Als je stout bent heb je geen verstand.' Dit vraagt om uitleg. Er komt een gesprek over mensen die verstand hebben en mensen die dat niet hebben. Meerdere kinderen vertellen over 'gekke' mensen die ze gezien hebben. Eigenlijk is dit al een vertelronde. Ik lees verder. Het verhaal gaat nog over graafwedstrijden in de duinen. Daarna over hoe Bibo iets slims bedacht om nooit meer zelf eten te hoeven zoeken: hij groef holen voor andere konijnen, in ruil voor eten. Een kind noemt het woord 'slaaf' in dit verband. We bespreken het even. In het verhaal worden nog meer slimme trucjes van Bibo genoemd. Ik ben bang dat het nu te lang alle kanten op gaat en besluit te vertellen hoe mijn eigen konijn ontsnapte uit zijn kooi.
De kinderen luisteren aandachtig. Iemand steekt meteen na mijn verhaal zijn vinger op en vertelt hoe juf Hetty een keer haar konijn naar school had meegenomen in een doos. Toen ze na de pauze weer binnenkwamen was hij weg; hij had de doos kapot geknaagd en liep door de klas. Andere kinderen weten het ook nog en vullen aan wat er gebeurde, hoe juf Eline er ook was en haar handen naar het konijn uitstak, al roepende: 'kom maar lieverd!' Ik vraag door naar hoe het afliep, er wordt enthousiast verteld. Daarna vraag ik wie ook wel eens een dier gezien heeft die iets bijzonders kon. Er ontstaat een levendige vertelronde met verhalen over een hond die de deur open kon maken (met uitbeelden erbij), een poes die een bloemetje haalde, een hond die een pootje geeft, een vogel die zelf het hekje van zijn kooi openmaakte en wegvloog, een vogel die door de gang vloog terwijl de mensen zaten te eten, een hamster die een moeilijke sprong kon maken, een pratende vogel. Het onderwerp van de taalronde is vastgesteld. |
Goede onderwerpen voor taalrondes zijn er genoeg. De vraag is hoe je er op komt. Vroeger zorgde ik altijd voor een heel precieze voorbereiding van een taalronde. Nu, na zoveel jaren ervaring, heb ik vaak genoeg aan een grof idee of een paar boeken of voorwerpen die ik meeneem naar school. Ik vertrouw erop dat er een goed onderwerp uit de vertelkring naar voren zal komen. In de hierboven beschreven taalronde was er een concreet uitgangspunt: het boek dat ik had meegenomen en waar ik graag iets mee wilde, omdat ik er thuis om had moeten lachen. Het is altijd goed om te beginnen met iets waar je zelf bij betrokken bent: het maakt dat je er zelf zin in hebt en dat voelen de kinderen. Mijn groep is geïnteresseerd en praatgraag, ik hoef dus niet bang te zijn dat er een doodse stilte zal hangen!
In het begin van de kring en tijdens het voorlezen ontdek ik al verschillende onderwerpen waarop we zouden kunnen doorgaan: dingen die met je voet gebeurd zijn (naar aanleiding van mijn verzwikte enkel); oude dingen van vroeger die je thuis hebt; vreemde mensen die je wel eens ergens gezien hebt; wedstrijdjes doen; iets doen voor iemand anders, al dan niet in ruil voor iets. Die onderwerpen herken ik omdat ik merk dat de kinderen erover willen vertellen, of omdat ik uit ervaring weet dat ze er iets over kunnen vertellen. Ook het onderwerp 'dieren die iets bijzonders kunnen' blijkt goed, omdat we van het ene verhaal op het andere komen. Alle kinderen kunnen een lijstje maken van dieren die ze iets hebben zien doen. Als we eenmaal zo ver zijn ben ik niet streng meer op het onderwerp: kinderen die gewoon vertellen over een poes die ze op straat zagen vind ik ook goed. Als er maar een ervaring bij ze opkomt. De teksten uit deze taalronde zijn gevarieerd: over een hond die de weg weet in Marokko; twee vogeltjes die elkaar kusjes geven; vogels die een nestje bouwen.
Natuurlijk moet je leren onderwerpen te herkennen tijdens een kringgesprek en die om te zetten in een opdracht voor een lijstje of een schrijfopdracht. Als je je onzeker voelt is het goed om altijd een onderwerp voor te bereiden en er vast vragen bij te bedenken. Ook is het belangrijk om na te gaan welke ervaringen je er zelf mee hebt, zodat je zelf als eerste kunt beginnen met vertellen. Je kunt dan altijd nog besluiten om door te gaan met een ander onderwerp of een andere invalshoek, als dat tijdens de kring opkomt en beter lijkt aan te slaan.
Je kunt je oefenen in het vinden van onderwerpen, door een schriftje aan te leggen en de hele week door onderwerpen die je te binnen schieten op te schrijven. Nog los van of je ze gaat doen. Onderwerpen kunnen opduiken in een verhaal dat je voorleest, in een gesprek dat je met de kinderen hebt, of in je eigen belevenissen van die week.