Iedereen kan leren schrijven

Onderwerpen

Tijdens de vertelkring zoeken naar een goed onderwerp

Bij het voorlezen van het boek reageren de kleuters niet of nauwelijks. Ze zijn wel heel geboeid door het verhaal en de tekeningen. Van tevoren heb ik een aantal onderwerpen bedacht bij dit boek: kadootjes krijgen en geven, buiten zijn in het donker.

Ik besluit om eerst te kijken of ik met dat laatste iets kan doen. Ik begin met een eigen voorbeeld en vertel dat ik gisteren de maan heb gezien en dat het een heel dun streepje was. Ik vraag wie het ook gezien heeft. Een paar vingers. Ira vertelt dat ze hem binnen uit het raam gezien heeft. Iemand anders was buiten op de fiets. Ik vraag of iemand nog iets anders gezien had toen hij buiten was in het donker. Een paar kinderen vertellen, maar het is ‘braaf vertellen’. De vlam slaat nog niet in de pan. Tot Colin vertelt. Het duurt even voordat ik zijn verhaal begrijp. Hij vertelt dat hij buiten een winkel stond en zijn papa en mama waren binnen en toen zag hij ze niet meer, ze waren kwijt. Ik herhaal wat hij vertelt en gelijk gaan er een paar kinderen rechtop zitten. Ik vraag: 'wie heeft dat ook wel eens gehad, dat hij zijn papa of mama kwijt was?' Vingers gaan omhoog en kinderen vertellen. Van winkels, maar ook gewoon van thuis. Bobbie vertelt dat hij naar binnen in huis ging en hij zag zijn moeder niet. Ik vraag: 'waar had je dan allemaal gekeken?' Hij zegt met een wanhopig gezicht en opgetrokken schouders: ‘Overal, overal had ik gekeken, maar ze was nergens.’ Alle kinderen kijken naar hem en we lachen. Bobbie ook. Ik besluit niet door te vragen naar hoe het afliep. Het is juist mooi dat het even alleen over het moment ging dat hij zag dat het hele huis leeg was.

Ik overweeg om als tekenopdracht te geven: de plek waar je je vader en moeder kwijt was. Maar ik check het nog even door te vragen, bij wie het eigenlijk een keer gebeurd was. Lang niet alle kinderen steken hun vinger op. Zo’n tekenopdracht kan ik dus niet geven. Ik geef er een draai aan en vraag: 'wie heeft zichzelf wel eens verstopt voor zijn papa of mama?' Op deze vraag komen weer een heleboel vingers en verhalen. De kinderen vertellen aan mij, maar ook wel aan elkaar.

Ik probeer erop te letten dat veel verschillende kinderen aan de beurt komen. Dat gaat heel goed, zelfs Prince, die in de vertelronde nog als enige zijn mond hield, vertelt dat hij zich had verstopt.

Als de kinderen te wiebelig worden stop ik. Ik vraag de kinderen te tekenen van een keer dat ze zich verstopten of van een keer dat hun papa of mama kwijt was. Iedereen krijgt een papier met een kader en een zwarte pen en gaat aan zijn eigen tafel zitten om te tekenen.

 

Ik doe in mijn bovenbouwgroep een korte vertelronde op het rijtje af. Dan komt iedereen kort aan het woord. Als onderwerp heb ik in mijn hoofd: ‘een regel, waar je je aan moet houden thuis’. Ik vraag: ‘welke dingen moet jij doen van je moeder of vader?’ en geef een voorbeeld, dat ik van mijn moeder altijd mijn handen moest wassen voor het eten. Naast me zit Jurriaan. Hij vertelt dat hij elke dag moet stofzuigen want zijn broertje heeft ‘mijt’. Het is eigenlijk geen regel, maar ik laat het passeren. Dat blijkt niet zo verstandig, want de volgende kinderen beginnen allerlei huishoudelijke taken op te noemen. Het lastige is dat sommige wel vallen onder de door mij bedoelde categorie (mijn bord afwassen als ik klaar ben met eten) maar andere niet (de ramen lappen) En ik wil niet een hele preek houden over wat ik wel en niet bedoel. Dus ik vraag iets erbij: ‘En zegt je moeder wel eens iets over hoe je moet gedragen?’ Dat gaat beter. Er komen verschillende dingen uit: zeggen waar je heen gaat, bedanken als je iets krijgt, respect tonen voor andere mensen.

Na de ronde maak ik twee lijsten op het bord: één met alle klusjes, die opgenoemd zijn en één met gedrag, dat je moet hebben van je vader of moeder. Boven aan dat laatste lijstje staat ‘manieren hebben’. Daar vraag ik op door: 'wat bedoelen je ouders met goede manieren?' Ik wil aan een nieuw lijstje op het bord beginnen. Het eerste dat iemand zegt is ‘teruggroeten’ en hij begint een verhaal te vertellen over een oude mevrouw die hij gedag zei met ‘dag oma’. Die mevrouw zei ‘ik ben je oma niet’. Dat roept een heleboel andere verhalen op. De groep is heel betrokken, wat in dit geval wil zeggen dat ze allemaal door elkaar praten. Ik besluit op deze betrokkenheid door te gaan, stop met de lijst en doe een ronde waarin iedereen die wil kan vertellen. Om het gesprek te reguleren stel ik als regel: na een verteld verhaal mogen er twee vragen gesteld worden. En dan gaan we naar het volgende verhaal.

Richery vertelt dat hij de trap nam in plaats van de lift en dat er een oude mevrouw liep op de trap waar hij niet langs kon. Hij doet mooi na hoe langzaam ze bewoog en hoe ze niet reageerde op zijn vraag of hij erdoor mocht. Bafour vertelt hoe hij dacht dat zijn vriendje ergens stond, hij zei hem gedag en toen bleek dat het een ander was, en er kwam ruzie van. Helen vertelt dat ze een roze bloemetje van een boom wou pakken en dat er toen een oma naar buiten kwam, die haar begon uit te schelden. Als bijna iedereen verteld heeft stop ik de vertelronde. De schrijfopdracht is schrijf over een misverstand, over een keer dat je verkeerd begrepen werd of dat iemand jou verkeerd begreep.

Het kan heel goed gebeuren dat het onderwerp dat je voor je taalronde had bedacht, niet aanslaat bij de kinderen. Dat blijkt bijvoorbeeld als weinig kinderen iets willen vertellen, als ze steeds afgeleid zijn of als het vertellen plichtmatig, zonder 'vuur' gebeurt. Dan raak je als begeleider in een 'zoek-fase': je gaat op zoek naar iets waarvan de kinderen ineens rechtop gaan zitten. Vaak vind je zoiets als je goed luistert, vragen stelt en observeert. In het eerste voorbeeld hierboven was er voelbaar meer betrokkenheid bij het onderwerp 'je ouders kwijt zijn' dan bij 'een keer dat je in het donker buiten was'. In het tweede voorbeeld begonnen de kinderen te associëren op iets dat een van hen vertelde, en kwamen ze zo van 'regels die volwassenen aan jou stellen' terecht op 'misverstanden of gedoe met mensen op straat die je niet kent'.

Het is de begeleider die het besluit neemt over welk onderwerp tenslotte geschreven en getekend zal worden. Daarbij is het altijd belangrijk om te checken, of inderdaad bij elk kind een ervaring is opgekomen waarover het wil en kan schrijven. Als je daaraan twijfelt, kan je je onderwerp altijd weer wat bijstellen of uitbreiden, of nog een individueel gesprekje voeren met kinderen die niets bedacht hebben.