Onderwerpen
- Als afgeweken wordt
- Boek als begin, boek als vervolg
- Onverwachte taalronde kleine kring
- Taalronde n.a.v. sprookje
- Fantasie en ervaring
- Jeugdjournaal als begin taalronde
- Waar iedereen ervaring mee heeft
- Onvoorbereid een onderwerp vinden
- Steeds de invalshoek veranderen
- Taalrondes over pesten
- Taalrondes en moraal
- Taalrondes en verdrietige ervaringen
- Clichés in een taalronde
- Onderwerp zoeken tijdens vertelkring
Een taalronde naar aanleiding van een sprookje
Het verhaal van Sneeuwwitje is uit, de kinderen in groep 4 hebben het met vereende krachten naverteld. Ik zeg, dat we zulke dingen zelf natuurlijk nooit meemaken, maar dat er ook dingen in het verhaal zijn, die we wel zelf meemaken. Ik begin zelf met een voorbeeld: 'een appel eten', en schrijf dat op het bord. Ik vraag wie er ook iets uit het verhaal weet, wat hij zelf wel eens doet. ‘In het bos,' roept iemand. Said zegt: 'ik ben nooit in een bos geweest. ' Dat kan, maar ik schrijf het er toch bij, veel mensen zijn er wel eens geweest. De kinderen hebben heel snel door wat de bedoeling is. Uiteindelijk ziet de lijst er als volgt uit:
appel eten in het bos zijn konijnen/dieren zien schoonmaken dansen kussen koken douchen handen wassen voor je aan tafel gaat verkleden slapen in de spiegel kijken doodgaan trouwen baby’s krijgen duwen
In overleg met de kinderen besluit ik door te gaan op het onderwerp handen wassen. Iedereen krijgt een onderlegger en een tekenlijstje met vier kadertjes. Ik vraag de kinderen in de kadertjes vier plekken te tekenen waar je wel eens je handen hebt gewassen. Ik geef zelf een paar voorbeelden en vraag na elk voorbeeld wie daar ook wel eens zijn handen gewassen heeft. Ze zitten al snel op het goede spoor. De tekenlijstjes worden gevuld.
Iedereen kiest een plek van het lijstje uit om in een tweetalgesprek over te vertellen: een plek die je je nog goed herinnert. Dat gaat vlug, dat kennen ze. Na het tweetalgesprek is de schrijfopdracht: 'schrijf over die plek, hoe die eruit zag, wat daar gebeurde, hoe je je handen waste.' Dat blijft moeilijk. Bij een heleboel kinderen moet ik toch nog weer even terugvragen: 'Over welke plek vertelde je ook al weer? Vertel nog maar even aan mij.' Als ze dan vertellen kies ik de zin uit, waar ze mee kunnen beginnen. Misschien moeten we dat proces de volgende keer in de kring doen: de eerste zin schrijven. Als die goed is, loopt het meestal wel door of kun je met een simpele vraag nog een zin toevoegen. |
Niet altijd geven verhalen meteen aanknopingspunten om met kinderen over eigen ervaringen te praten. Zeker bij mythische of fantastische verhalen, over goden, prinsessen of monsters, is de link met wat je in je eigen leven meemaakt niet zo snel te leggen. Mythen en sprookjes hebben vaak wel een achterliggende moraal, die verwijst naar het echte leven. Ze gaan bijvoorbeeld over de strijd tussen goed en kwaad, de generatiekloof, trouw en verraad, domheid en wijsheid, moed en lafheid. Zulke onderwerpen zijn breed en abstract, ze leiden meestal niet zomaar tot associaties met dagelijkse gebeurtenissen.
Toch is het mogelijk en spannend om met sprookjes en mythes te werken in een taalronde. Kinderen zijn dol op zulke verhalen, en je kunt het als een uitdaging beschouwen, om van daaruit de overstap naar hun eigen ervaringen te maken. Dat kan bijvoorbeeld op de volgende manieren:
- Van tevoren of samen met de kinderen een lijst maken van herkenbare kleine ervaringen in het verhaal, en daaruit kiezen (zie voorbeeld hierboven)
- Met de kinderen praten over het verhaal, en de aspecten waarmee zij komen ter plekke omzetten naar herkenbare persoonlijke ervaringen (de heks klopte aan de deur, wie belde/klopte een keer aan jouw deur?)
- Met kinderen praten over de personages van het verhaal, en vanuit inleving daarin overstappen naar eigen ervaringen (Roodkapje ging alleen door het bos naar grootmoeder, wie mag alleen ergens naar toe? Isaac ging met zijn vader mee de berg op, wat deed jij een keer samen met je vader?)
Je kunt je afvragen of verhalen over ervaringen met handen wassen nog wel iets te maken hebben met het verhaal van Sneeuwwitje. Waar is dat sprookje dan eigenlijk voor nodig geweest? Had je niet ook gewoon met het onderwerp kunnen beginnen? Dat klopt, een voorbereide taalronde over handen wassen had natuurlijk ook op andere manieren kunnen beginnen. Dan had je het doel van goed vertellen en schrijven over eigen ervaringen ook bereikt.
Maar mogelijk waren je doelen ook: kinderen met een sprookje in aanraking brengen. Die aanraking is ook een doel van taalvorming. Allerlei soorten verhalen en teksten kunnen uitgangspunt zijn voor een taalronde, niet om ze te analyseren of te reproduceren, maar om ervan te genieten en te ontdekken wat ze met jezelf te maken hebben.