Onderwerpen
- Als afgeweken wordt
- Boek als begin, boek als vervolg
- Onverwachte taalronde kleine kring
- Taalronde n.a.v. sprookje
- Fantasie en ervaring
- Jeugdjournaal als begin taalronde
- Waar iedereen ervaring mee heeft
- Onvoorbereid een onderwerp vinden
- Steeds de invalshoek veranderen
- Taalrondes over pesten
- Taalrondes en moraal
- Taalrondes en verdrietige ervaringen
- Clichés in een taalronde
- Onderwerp zoeken tijdens vertelkring
Taalrondes en verdrietige, zware of moeilijke ervaringen
Bryan komt in groep 4 met een verhaal naar aanleiding van de soeplepel: hij vertelt hoe zijn vader achter zijn moeder aan ging met de soeplepel en dat ze zo bang werden dat ze naar de buren vluchtten en niet meer terug durfden. Ik vraag hoe het afliep. Ze gingen tenslotte toch naar huis, maar bibberden allebei ontzettend van angst. Zijn vader was weg en bleef weg, was daarna naar Curacao. Hij blijft glimlachen bij het verhaal hoewel het duidelijk een nare ervaring voor hem is. Iedereen luistert aandachtig. Ik vraag aan de kinderen wie hierover iets aan Bryan wil vragen. Naf vraagt: 'Mag jij dat wel vertellen van je moeder? Ik mag zulke dingen niet vertellen van mijn moeder.' Bij Bryan is dat niet aan de orde. Ik zeg tegen iedereen: 'als je nare dingen niet wil vertellen, doe je dat gewoon niet.' Tegen Naf zeg ik nog dat als ze het zelf toch graag wil vertellen, ze dat altijd aan mij kan doen, ook als het van haar moeder niet mag. Een juf vertelt het niet door.
In groep 8 leest King Long zijn tekst voor: Vroeger toen ik Nederlands moest leren, stelde mijn moeder vragen. En als ik het goed had kreeg ik chocola en als ik het fout had sloeg mijn moeder mij met een stok van 1 m lang en 2 cm breed. Ik vond dat die klappen niet zo pijnlijk waren. Dan dacht ik dat ik groot was. De tekst is heel duidelijk, alleen snappen we de laatste zin niet helemaal. Het is voor hem moeilijk om uit te leggen wat hij met die zin bedoelt. Justice komt hem te hulp. Hij suggereert: 'Omdat hij die klappen niet hard vindt voelt hij zich groot.' Ik vraag King Long of hij dat bedoelt. Die knikt.
Nana begint in groep 4 met vertellen hoe zijn moeder hem sloeg met een riem met ijzer eraan, toen hij niet wou eten. Ik probeer erachter te komen wat dat voor riem was. We denken eerst een riem met een ijzeren gesp. Maar nee, dat was het niet. Nana blijft proberen het te omschrijven, want een woord ervoor kent hij niet. We komen er met zijn allen achter dat hij een rolcentimeter bedoelt die zijn moeder bij de naaimachine heeft liggen. Daar zit een stukje ijzer aan het eind. Veel kinderen herkennen het, zij hebben ook zo’n ding thuis. Dat je ermee slaat is voor mij nieuw. Ik ga nog verder met vragen. Ik vraag op welk moment hij nu precies begon te huilen: na een klap, of twee? Of pas achteraf? Of al van tevoren? Hij vertelt dat hij begon te huilen toen hij na de klappen naar zijn kamer liep.
In groep 3 praten we in de kring over plekken waar je weleens hebt geslapen, anders dan in je eigen bed. Na een paar verhalen over logeerpartijen, vertelt Serhat ineens hoe hij ging slapen in de kamer waar zijn dode broertje lag opgebaard. Hij vertelt heel precies hoe het er in die kamer uitzag en hoe zijn broertje eruit zag. De kinderen luisteren met veel aandacht. Ze wisten dat Serhats broertje dood was, maar zo heeft hij er nog nooit over verteld.
In een taalronde over pest-ervaringen in groep 5 gebeurt bij Rafael iets vreemds. Hij wil geen tweetalgesprek, heeft 'Janine' onderstreept in zijn lijstje. Ik vraag hem ernaar, hoe ging dat. Ik moet trekken, hij vertelt niet en opeens verschijnen er tranen. Ik hou gelijk op met trekken, misschien heeft hij het wel heel erg gevonden of zat hij onder sociale dwang. Ik laat het maar even en geef hem een zakdoekje. Iets in de les heeft hem kennelijk geraakt. Ik kom er niet achter en ik laat het maar even. Ik schrijf uiteindelijk met hem de tekst over een andere situatie van zijn lijstje.
Ik lees in groep 7 een kort stukje voor uit Mijn vader van Toon Tellegen. Het gaat over huilen en boos worden. Mijn plan is om te vragen naar ervaringen met huilende grote mensen. Het is een beetje een gevoelig onderwerp, dat realiseer ik me wel. Daarom heb ik verschillende eigen ervaringen achter de hand waarbij huilen niet zo vreselijk beladen is. Huilen bij een mooie film, bij muziek, bij een afscheid, huilen van het lachen. In het verhaaltje van Tellegen wordt het huilen van de vader erg uitvergroot en grappig verteld. Toch komt Esmee meteen erna met een verhaal over een sterfgeval en huilende ouders. Op mijn beginvraag ‘wie heeft wel eens een groot mens zien huilen’ komen vervolgens nog meer verhalen over dode tantes, neefjes, etcetera, nogal zwaar. Ik vraag zoveel mogelijk door op de situatie waarin het gebeurde en hoe het eruit zag. Sanna vertelt over een snikkende moeder aan de telefoon, en hoe ze zelf gauw naar haar kamer ging. Een jongetje vertelt hoe hij op een begrafenis was, en zijn broertje dacht dat het regende, maar het waren tranen van grote mensen die op zijn hoofd spetterden. Na nog drie sterfgevallen vertel ik zelf over hoe ik zag dat mijn man tranen in zijn ogen kreeg bij een film, en dat ik snel weer wegkeek om hem niet verlegen te maken. Ineens komen er verhalen over huilen om doodgaan of gewond zijn van dieren. Ik vraag veel door op manieren van huilen: heel hard gieren, heel stilletjes, heel erg snotteren met zakdoeken. Er wordt verteld over natte zakdoeken, rode ogen, rode gezichten. Iris vertelt hoe zij een gehuil hoorde in de kamer waar haar vader zat te computeren. Hij bleek alles kwijt te zijn en maakte een hard huilgeluid. Ik vraag of het echt huilen was of nep-huilen. 'Wel echt,' denkt Iris, omdat ze tranen zag. Wie heeft wel eens iemand zien nep-huilen, is mijn volgende vraag. Tess haar broer had zich bezeerd en huilde zogenaamd. Ook over huilen van het lachen komen enkele verhalen. Ik vraag aan het rijtje jongens tegenover me, die nooit hun vinger opsteken, of ze dat wel eens gezien of gehad hebben. Eerst zeggen ze nee. Dan herinnert Ashraf zich zijn tante die huilend van het lachen op de bank zat. Ik vraag een beetje door, waardoor hij het preciezer gaat vertellen. Zijn moeder had een grappig verhaal verteld over een gierige man. |
Soms vertellen kinderen onverwacht over minder prettige of zelfs verschrikkelijke dingen die hen overkomen zijn. Voor een begeleider is het altijd de vraag hoe daarop moet worden ingegaan. Niet altijd is het nodig om met een oordeel of andere uitgebreide reactie te komen na zo'n verhaal. Het kan voor een kind al heel positief zijn dat het zijn verhaal heeft kunnen vertellen en dat iedereen ernaar luisterde. Ook zonder dat het verder gevolgen heeft. Wel is het zinvol om andere kinderen vragen te laten stellen, zodat hun betrokkenheid op een positieve manier voelbaar wordt voor het kind dat iets verteld heeft. Alleen vragen, geen meningen dus. Het kan prettig zijn dat na zo'n verhaal weer gewoon doorgegaan wordt met de vertelkring. Een leerkracht kan zelf later nog eens contact zoeken met het kind als dat nodig is.
Gericht een taalronde beginnen met een erg verhaal (een vreselijk verkeersongeluk) of een loodzwaar onderwerp (echtscheiding) is niet aan te raden. Dat zet de toon: het moet blijkbaar over iets ergs gaan. Kinderen kunnen daarvan dichtklappen of zich gedwongen voelen iets te vertellen dat ze eigenlijk voor zichzelf willen houden. Je kunt dat tegengaan door zelf te vertellen over kleine, minder verschrikkelijke ervaringen die ze zouden kunnen herkennen. Als ze dan zelf toch met rampen komen, is het in elk geval hun eigen beslissing.
Het is verder belangrijk om je voor ogen te houden, waar je op uit bent. Ligt je doel op het gebied van taalvaardigheid: het zo goed mogelijk onder woorden brengen van een ervaring bijvoorbeeld? Of op het gebied van sociaal-emotionele vorming: het leren omgaan met verdriet bijvoorbeeld? De scheiding loopt niet altijd strikt. Maar een bewust doel maakt het makkelijker om keuzes te maken bij je opdrachten: doorgaan met het bespreken van een probleem, of verdergaan met andere verhalen en met teksten schrijven.