Iedereen kan leren schrijven

Onderwerpen

Wat moet je met clichés in een taalronde?

In groep 3 is het thema Pasen. Dat vind ik zelf een ingewikkeld onderwerp omdat het zo omgeven is door clichés: kuikentjes, paaseieren en hazen. Een onderwerp voor een taalronde moet iets zijn, waar alle kinderen iets over kunnen vertellen uit eigen ervaring. Islamitische kinderen vieren geen Pasen, alleen op school en of het nou leuk is om daarover te vertellen? Ik vraag eerst eens door aan Matthew, wat hij doet met Pasen. Hij begint een enthousiast verhaal te vertellen over dat zijn vader eieren verstopte en dat zij ze moesten zoeken. Opeens heb ik het: eieren. Dat is een onderwerp, waar iedereen ervaringen mee heeft en waarin ook genoeg variatie zit. Dan zitten we niet alleen vast aan clichés. En dat blijkt ook zo te zijn. In de kring wordt levendig verteld over gebakken en gekookte eieren, over eieren met peper en aangebakken eieren, over hoe je een ei stuk slaat en over een spiegelei met een bolletje erop. En over paaseieren en verstoppen, dat kan natuurlijk ook.

 

In een SBO-groep praten we over de tassen die in de kring liggen. Het gaat mij om wat kinderen persoonlijk met een tas hebben gedaan, of hebben gezien. Persoonlijk is het niet meteen. Zo beginnen ze bijvoorbeeld naar aanleiding van de damestas over 'oude dametjes die met hun tas slaan', een stereo­tiep beeld dat ze wel eens op de tv hebben gezien. Ik vraag naar tantes, oma's of moeders en welke tassen die hebben. Als ik rechtstreeks aan Jeffrey vraag of hij iemand kent met zo'n tas, zegt hij 'ja, mijn moeder'. Ik vraag of hij wel eens in die tas kijkt. 'Ja,' zegt hij. Hij vertelt vervolgens dat hij soms sigaret­ten voor haar moet kopen en dan geld uit de tas haalt. En dan koopt hij meteen snoep voor zichzelf. Hierna komen meerdere verhalen over tassen van moeders en wat daar in zit.

 

In groep 4 praten we over 'dingen die je in het donker ziet vanuit je bed' door de kinderen vaak wordt opgevat als 'denken dat je een monster of een heks ziet'. Die toon wordt een beetje gezet door het voorgelezen verhaal van Uil, die bang is voor zijn eigen voeten onder de deken. Ik begin na het voorlezen met de vraag: 'Ik zie ook wel eens dingen in bed, in het donker. Wie heeft dat ook?' De eerste verteller, Giovanni, vertelt: 'ik word wakker en dan denk ik dat iets beweegt, maar dan is het mijn jas.' Melissa vertelt over een paardenschilderij in haar kamer, als het licht uit is denkt ze dat het een monster is. Ik vraag of het dan ergens op lijkt. 'Ja,' zegt Melissa, 'het lijkt op een heksenneus.' Ik: 'Wat doe je dan?' Melissa: 'Soms ga ik opstaan en dan kijk ik er heel goed naar. Maar dan droom ik steeds verder over die heks.' Ik: 'Kan je nog iets anders doen?' Melissa: 'Ja ik ga het schilderij er af halen en in de la van mijn bureau doen.' Op mijn vraag: 'Wie gaat wel eens onder zijn bed kijken?' komen nu enkele verhalen over dingen in slaapkamers, die vaak eindigen op '…en dan denk ik dat het een heks/monster is'. Jennifer hoort iets en het is een speelgoedmuis onder haar bed; een ander kind ziet oogjes in de gordijnen, Yasin vertelt dat hij een grote beer heeft ('groter dan mij') en dat hij die beer in zijn schoenen zet. 'Dan doe ik het licht uit …. en dan denk ik dat het een heks is'. Het terugkerende zinnetje komt op mij wat plichtmatig over. Tegelijkertijd vertellen de kinderen wel precies over allerlei dingen die ze zien als ze in bed liggen of die gebeuren in hun slaapkamer. Dustin begint: 'Ik ging naar mijn moeder slapen, ik deed mijn ogen open, ik dacht dat er een reus was met een jas aan maar het was de deur.' Ik ga niet in op dat van die reus maar vraag wat hij behalve de deur nog meer ziet in zijn slaapkamer. Ik wil hem graag meer over een observatie laten vertellen. Dustin gaat verder: 'Ik ben bij mijn moeder gaan liggen, ik hoorde gekraak bij de deur, het was niet erg.' Ik houd vast aan mijn vraag: 'Wat zie je nog meer als je in bed ligt?' Dustin weet niks meer. Het is duidelijk dat hij in zijn hoofd heeft: iets griezeligs vertellen over wat hij in het donker ziet/denkt. En het is niet duidelijk of hij werkelijk die ervaring gehad heeft.

 

Bij de kleuters tekent Tolgahan zoals altijd een cliché-huisje met een schoorsteen. Tijdens het gesprek krijg ik hem zover dat hij er een ronde tafel in tekent (heel klein) en een soort krukje. Tot nu toe heb ik hem elke keer moeten aanmoedigen om iets aan het huisje toe te voegen; dat lukt dan wel maar heel voorzichtig. Vertellen over ervaringen kan hij trouwens als de beste. Ik richt mijn begeleiding bij hem op het dichter bij elkaar brengen van vertellen en tekenen.

Een aantal meisjes heeft hetzelfde probleem: zij tekenen altijd eerst clichés, zoals hartjes, bloemetjes, zonnetjes of clichématige meisjesfiguren. Ook bij hen volg ik het procédé: eerst los van de tekening laten vertellen, dat opschrijven, en tussendoor af en toe iets kleins aan de tekening laten toevoegen dat met het verhaal te maken heeft. Mijn hoop is dat dit hun vertrouwen geeft dat ze de dingen die ze vertellen ook kunnen tekenen, en dat het niet gaat om een ‘mooie’ tekening. Geleidelijk zullen ze het misschien zelf gaan toepassen.

Een cliché is volgens het woordenboek een 'nageprate, nageschreven zegswijze' of een 'versleten beeldspraak'. De woorden 'napraten' en 'versleten' geven aan dat clichés onpersoonlijk en saai kunnen zijn. Dat klinkt negatief. Ze kunnen daarnaast ook herkenning en houvast geven. Dat kan positief zijn.
In het dagelijkse taalgebruik vind je altijd veel clichés terug: in de vorm van spreekwoorden, vaste uitdrukkingen, vaste formules zoals 'en ze leefden nog lang en gelukkig' aan het einde van een sprookje. Ook zijn er de clichés van vaste beelden bij situaties: paashazen bij Pasen, taarten bij verjaardagen, bang zijn voor krokodillen onder bedden, oude dametjes die met hun tas slaan. Clichématig tekenen betekent dat iets steeds op dezelfde (vaak geïmiteerde) manier getekend wordt: een huisje met een puntdak, een lucht met een zonnetje en twee wolkjes, een Donald Duck-figuur.

Als kinderen spreekwoorden en uitdrukkingen leren, als ze kerstboomvormen uitknippen met kerst of altijd 'The End' onder hun teksten schrijven, zijn ze bezig met clichés. In taalrondes proberen we om zulke clichés heen te zoeken naar persoonlijke beelden en persoonlijk taalgebruik. Vaste vormen en manieren van zeggen werken vaak als een rem op zelfstandig denken: je hoeft niet meer te bedenken hoe iets er echt uitzag of hoe iets echt ging. Je kunt de vaste vorm gebruiken om je achter te verstoppen als je je onzeker voelt. De interactie in taalrondes richt zich nu juist op het stimuleren van zelfstandig denken en het verminderen van onzekerheid. Kinderen merken in goede taalrondes dat ze op hun eigen manier kunnen verwoorden en verbeelden wat ze bedoelen, zonder dat ze 'origineel' of 'creatief' hoeven te zijn.

Meestal kan je als begeleider wel aanvoelen wanneer een kind gebruik maakt van een cliché uit onzekerheid of omdat hij denkt dat het zo hoort, en wanneer een cliché niet die beperkende werking heeft maar juist iets toevoegt aan een tekst of tekening. En meestal kan je je ingrepen daar voorzichtig op aanpassen, zoals blijkt uit de bovenstaande voorbeelden.