Kinderen stimuleren tot vertellen
- Blokkades tijdens taalrondes
- Communicatie ondersteunen
- Hoe je een vraag stelt maakt uit
- Waarom-vragen zijn moeilijk
- Doorvragen op het vertelde
- Helpen inzoomen op details
- Het spoor volgen
- Leren luisteren
- Preciezer leren verwoorden
- Goede vragen leren stellen
- Tot denken zetten
- Hardop denken in een groep
- Feiten/meningen in taalrondes
- Tweetalgesprekken
- Taalontwikkelende gespreken
Doorvragen op wat een kind vertelt
In groep 7 pakt Mitchel het zakmes en zegt: 'Mijn vader had een grappige pop gemaakt met een mes.' Meester Arjen herhaalt: 'O, je vader had een pop gemaakt met een mes… vertel eens.' Mitchel vertelt dat hij een stok mee van buiten nam en dat zijn vader een pop maakte. Arjen snapt het nog niet en vraagt door: 'Een stok en een mes, kun je daar een pop van maken?' 'Nee,' zegt Mitchel, 'met plakband.' Arjen vraagt weer door: 'Waarvoor heb je dat mes dan gebruikt?' Mitchel zegt: 'Snap je het nog niet?' 'Nee,' zegt Arjen. En dan vertelt Mitchel preciezer: hij had de zaag eruit gehaald en zo stukjes afgezaagd. Arjen vraagt nog verder door of zijn vader ook nog iets anders met het mes deed. Mitchel vertelt dat hij het bruine velletje van de stok krabde. 'Met de zaag?' vraagt Arjen. 'Nee met het mesje,' zegt Mitchel. Alle kinderen luisteren met stijgende spanning naar het verhaal, een paar lachen als Mitchel zegt ‘snap je het nog niet’. Aan het eind snapt iedereen precies hoe Mitchels vader die pop had gemaakt. Arjen vraagt op een manier door, die Mitchel uitdaagt om zelf te vertellen. Omdat Arjen precieze details wil weten van een concrete situatie wordt het ook voor de andere kinderen spannend. Zulke processen zijn de parels van de kring.
Ik vraag in groep 5 wie ook aan iets moet denken bij een van de voorwerpen op tafel. Een meisje wijst op het badeendje en zegt dat haar broertje dat ook heeft. Ik vraag wat hij ermee doet. Ze vertelt dat hij in bad speelt. Ik vraag door over hoe dat precies gaat, of zij er dan bij is, wat zij dan doet etcetera, om een beeld te krijgen van de situatie. Ze lijkt een beetje bevreemd dat ik zo precies doorvraag, maar gaandeweg vertelt ze een hoop over haar babybroertje dat in een badje gaat op de grond en hoe ze daar soms bij zit. De volgende verteller pakt de schroevendraaier en vertelt dat hij zijn vader helpt met het repareren van de auto. Ook bij hem vraag ik door: 'wat doet je vader dan precies?' 'Waar is dat?' 'Wat doe jij dan?' Geleidelijk komt er een beeld van de vader die op de grond onder de auto ligt en de zoon die steeds gereedschap aangeeft.
Kleuter Abel zegt in het gesprek bij zijn tekening heel snel: 'Dit is mijn boek. Ik legde het in de kast. Toen viel het op de grond.' Juf Maartje schrijft niks op maar begint over dit verhaal vragen te stellen: welk boek, wat deed je precies, hoe viel het, etcetera. Wat duidelijk is, schrijft ze er nu bij. Daardoor ontstaat de volgende tekst: In het tekenboek heb ik een kleurplaat ingekleurd. Toen ik klaar was ging ik het boek terugleggen in de kast. Ik hoorde 'boem'. Ik zag dat het boek er af was gevallen, het lag op de grond. Ik heb het boek opgepakt en teruggelegd. Een veel beeldender tekst. Inderdaad is het de bedoeling van zowel het vertellen in de kring, als het vertellen bij de taaltekening, dat je kinderen een stapje verder helpt bij het verwoorden van een ervaring. Ook de meest taalvaardige kinderen. Dat kan je doen door precies doorvragen op iets kleins. Niet alleen worden de teksten daarvan interessanter, maar ook het taalgebruik van de kinderen wordt rijker. Regelmatig stuit je op vragen naar hoe je iets het beste kunt zeggen, wat goede woorden zijn. Dat activeert kinderen.
In groep 3 doen we tijdens de vertelronde over de keuken een kort rondje om alle kinderen even te activeren tussendoor. Ik vraag op elk kind kort door. Wat doe jij wel eens in de keuken? Rijad: Ik doe melk. Wat doe je dan? Schenken. Akram: Koken. Wat doe je dan? Pannenkoeken bakken. Wat doe je dan met je handen? Ik ga ook schillen. Wat ga je schillen? Aardappels. Halim: Mijn vader helpen. Wat doe je dan? Cake maken. Wat doe je dan met je handen? Mijn vader helpen. Waar maak je de cake mee? Ei. Wat doe je dan? Ei pakken en breken. Asmaa: Bakken. Wat doe je met je handen? Roeren. Joanna: Ei bakken. Wat doe je dan eerst? Ei kapot maken. Faira: Schillen. Wat schil je? Een mandarijn. Hoe doe je dat? Met mijn handen. Dat heet pellen, pellen doe je met je handen en schillen met een mes. Souffian mag niks doen in de keuken. Maar pak je wel eens iets in de keuken? Hij vertelt hoe hij op de wasmachine klimt om iets te pakken. Het is een wasmachine waar borden ingaan. Halim: Afwasmachine. Norman: Vaatwasser. |
Als kinderen de beurt krijgen in een vertelkring, beginnen ze vaak met alleen één zin zeggen. Dan wachten ze. Ik moet doorvragen om meer details te horen. Door de details worden de verhalen mooier en interessanter om te horen - en ook leuker om te vertellen.
Kinderen moeten leren hoe ze over hun ervaringen kunnen vertellen. Vaak denken ze ergens vaag dat hun ervaringen niet belangrijk genoeg zijn. Of ze kunnen niet zo snel bedenken hoe het ook weer ging. Daar kan een begeleider iets aan doen, door erin geïnteresseerd te zijn en door ze middels vragen te stimuleren.
Als een kind over een ervaring vertelt, probeer je je er een voorstelling van te maken. Je vraagt je af: zie ik bij dit verhaal iets voor me, vind ik dat duidelijk genoeg, en zou mijn voorstelling kloppen met wat het kind bedoelt? Je gebruikt daarbij je eigen ervaringen en je kennis. Het is belangrijk dat je je zo open mogelijk opstelt, zonder vooronderstellingen of oordelen, ook al komt het verhaal van een kind nog zo ongeloofwaardig over. De beste manier om erachter te komen wat een kind bedoelt is vragen stellen die bij jou een concreet beeld oproepen.
Bijvoorbeeld: als Youssef vertelt dat hij zich op het dak ging verstoppen, klinkt dat mij eerst vreemd in de oren. Maar ook moet ik denken aan mijn eigen dakterras, en aan al die huizen met platte daken in Marokko. Op een plat dak kan je spelen. Bij doorvragen blijkt Youssef dit ook te bedoelen. Of: Aziz vertelt dat zijn schoenen in de douche staan. Ik bedwing de neiging om op vragende toon zeggen dat ze dan toch nat worden. Inplaats daarvan vraag ik door naar de precieze plek, wie ze daar neerzet en wanneer. Dan blijkt dat Aziz iets anders onder het woord douche verstaat dan ik: hij bedoelt de hele ruimte waar de douche is, en niet alleen de douchebak. Wat ik badkamer zou noemen. Door vragen ben ik daar achter gekomen. Bovendien hebben we een interessant gesprek over de betekenis van woorden: wat is eigenlijk precies een douche? Als een kind beter is gaan vertellen dankzij de goede vragen van de juf, is het blij en opgelucht en de juf ook.