Kinderen stimuleren tot vertellen
- Blokkades tijdens taalrondes
- Communicatie ondersteunen
- Hoe je een vraag stelt maakt uit
- Waarom-vragen zijn moeilijk
- Doorvragen op het vertelde
- Helpen inzoomen op details
- Het spoor volgen
- Leren luisteren
- Preciezer leren verwoorden
- Goede vragen leren stellen
- Tot denken zetten
- Hardop denken in een groep
- Feiten/meningen in taalrondes
- Tweetalgesprekken
- Taalontwikkelende gespreken
Het spoor van de kinderen volgen
| Er zijn slakken in de klas. De kinderen in groep 3 vertellen er voor de les enthousiast over. We kunnen de hele kleine kinderslakjes zien en ik vraag of je kunt zien wat de jongensslakjes zijn en wat de meisjes. Volgens Rachid zijn de jongensslakken gestreept en de meisjes egaal van kleur. Ik vraag waaraan je mensen-meisjes herkent. 'Aan hun lange haren,' zeggen ze. Zijn er dan geen meisjes met korte haren? We kijken de kring rond. Meisjes hebben ook twee ringen in hun oren en jongens altijd maar een. We gaan onze gaatjes in oren, en gaatjes in je hand en op je wang tellen. Zo beginnen we de kring. Later tellen we de gaatjes in de schoenen. Sommige kinderen hebben er heel veel en zijn lang bezig met tellen. Mustafa heeft helemaal geen gaatjes, hij heeft sloffen.
Als Youssef in groep 4 vertelt dat hij zich op het dak ging verstoppen, roept dat bij mij het beeld op van mijn eigen dakterras, maar ook van al die huizen met platte daken in Marokko. Als ik eerst had gedacht aan de daken van de huizen in De Pijp, had ik misschien gedacht dat Youssef maar iets verzint, want op die schuine daken kan je niet spelen. Ik realiseer me hoe belangrijk het is je zo open mogelijk op te stellen, ,ook al komt het verhaal van een kind nog zo ongeloofwaardig over. De enige manier om er achter te komen wat een kind bedoelt is: doorvragen, tot zijn antwoorden een concreet beeld oproepen. Younes vertelt dat zijn schoenen in de douche staan. Ik slik nog net mijn vraag in: 'Maar dan worden ze toch nat?' In die vraag zit een vooronderstelling. Eigenlijk is nog niet duidelijk wat Youssef en ik precies onder het begrip ‘douche’ verstaan: gaat het alleen om de douchebak, dus de plek waar de douchekop boven hangt en met het putje in de vloer, of om de hele ruimte? Ik had de douchebak in gedachten, Youssef waarschijnlijk de hele doucheruimte, die ik dan weer badkamer zou noemen. Het is dus belangrijk om te checken wat de kinderen verstaan onder bepaalde begrippen, als ik wil begrijpen wat zij vertellen over hun ervaringen. Dat kan bovendien interessante gesprekken opleveren over de betekenis van woorden: wat is eigenlijk een douche? Kinderen willen graag communiceren, maar dat lukt niet altijd. Ze hebben mijn steun nodig om duidelijk te maken wat ze bedoelen. Als dat lukt dankzij mijn goede vragen zijn ze blij en opgelucht en ik ook. Als ik Hisham vraag waar zijn schoenen staan zegt hij dat ze in de winkel stonden. Ik had door kunnen gaan op die winkel, maar ik wil weten waar ze bij hem thuis stonden. Ik help hem door bij hem aan te sluiten: 'Je schoenen stonden eerst in de winkel, toen ging je naar huis met je schoenen.. en toen, waar zette je je schoenen toen neer?' Ik neem Hisham in gedachten mee naar zijn huis, ik maak gebruik van mijn eigen voorstellingsvermogen en dat van Hisham. Hisham zegt tenslotte dat zijn schoenen in de gang staan.
Als we in de kring zitten in groep 6 ligt er opeens een piepklein zilveren visje in de kring. Uit het haarsieraad van Samantha gevallen. Mooi, het lijkt wel een cadeautje. Voor mij dan, want van de week had ik al zitten denken hoe we het een keer over vissen konden hebben. Vroeger had ik een rubberen vis, maar die ben ik kwijt. En daar ligt dat visje. Ik stap meteen af van mijn voorbereide onderwerp. De kinderen leggen er nog een zeepaardje bij en een schelp. Ik vraag wie er opeens een verhaal in zijn hoofd krijgt dat met een vis te maken heeft. Gelijk een aantal vingers. Er komen verhalen over aquaria, over vissen met een hengel, over vis eten en blikjes sardientjes, en vissen voeren in het park.
Tijdens een tekstbespreking groep 5 stel ik een open vraag: ‘wat valt jullie op aan de tekst?’ Eigenlijk heb ik in mijn hoofd om over de hoofdletters en punten te beginnen, omdat die er helemaal niet in staan. Er komen vingers. Iemand vraagt: ‘Wat is een stunt?’ Ik zeg impulsief: ‘Die vraag bewaren we even voor later’. Dan wil ik gaan zeggen wat mij opvalt in de tekst. Maar ik aarzel en dan komt er een opmerking in de stilte die ik laat vallen: ‘Ik snap niet dat die jongen gaat huilen en dat hij dan weer verder gaat,’ zegt een kind. Ik ben even verbaasd, maar besluit mijn idee over de hoofdletters en punten, voorlopig te laten liggen en in te gaan op deze inhoudelijke vragen. |
Meestal heb je als leerkracht in je hoofd wat je in een les wilt behandelen. Je geeft de kinderen wel wat ruimte om met eigen vragen te komen, maar je wilt ze toch mee hebben op het spoor dat jij voor je les hebt uitgezet. Bij instructielessen is daar niks mis mee, maar bij taalvorming is het niet nodig om al te weten waar het heen gaat. Omdat je gespitst bent op betrokkenheid en activeren van de kinderen, is het zelfs heel belangrijk om gebruik te maken van wat zij zelf onverwacht inbrengen.
De begeleiding is in een taalronde steeds gericht op geslaagde talige communicatie. Je wilt niet alleen dat de kinderen vertellen en schrijven, je wilt ook dat ze dat steeds beter gaan doen.
- Goed luisteren naar wat ze precies zeggen is daarbij de eerste stap.
- Nagaan of je het begrijpt de tweede.
- Doorvragen tot het je duidelijk is, de derde.
- De inhoud van een verhaal terugbrengen naar de hele groep kan een vierde stap zijn.
Door deze benadering merken kinderen dat ze serieus genomen worden, dat het dus ook de moeite waard is om iets te zeggen en om dat zo duidelijk mogelijk te doen. Vaak het spoor van de kinderen volgen is nodig om hun betrokkenheid in stand te houden.
Het betekent niet dat je maar achter de kinderen aan hobbelt en alles oppakt waarmee ze komen. Dat kan alleen al niet omdat ze met zoveel zijn. Je volgt dus nooit alle kinderen, maar enkele kinderen. Je beoordeelt tijdens het proces waar je zinvol op door kunt gaan. Dat doe je deels intuïtief.
Een kind preciezer laten vertellen is zinvol als je met de vertelronde bezig bent. Een onderwerp dat een kind inbrengt oppakken is zinvol als je denkt dat alle kinderen daar iets van herkennen, en dat je er later over kunt laten schrijven. Een vraag van een kind overnemen is zinvol als het gaat over een taalkwestie die in jouw ogen voor de groep belangrijk is. Iets van een kind oppakken omdat je het zelf leuk of interessant vindt is bijna altijd goed. Een kind hardop laten vertellen wat hij tegen zijn buurvrouw zat te smoezen is zinvol als het nieuwe concentratie in de groep brengt.
Kinderen volgen maakt dat je vaak door ze verrast wordt en je eigen plannetjes opzij zet. Dat maakt het begeleiden van een taalronde spannend voor iedereen.