Kinderen stimuleren tot vertellen
- Blokkades tijdens taalrondes
- Communicatie ondersteunen
- Hoe je een vraag stelt maakt uit
- Waarom-vragen zijn moeilijk
- Doorvragen op het vertelde
- Helpen inzoomen op details
- Het spoor volgen
- Leren luisteren
- Preciezer leren verwoorden
- Goede vragen leren stellen
- Tot denken zetten
- Hardop denken in een groep
- Feiten/meningen in taalrondes
- Tweetalgesprekken
- Taalontwikkelende gespreken
Hardop denken in een groep
| Ik vraag de kinderen van een middengroep van het SBO om in gedachten na te gaan wat ze vanochtend gegeten en gedronken hebben en dat even op te tellen. Ik doe het voor, je moet het goed uit elkaar halen, bijvoorbeeld een boterham met kaas telt voor drie dingen omdat het brood, boter en kaas is. Het is goed nadenken. Een jongen zegt dat hij niks heeft. Hij blijkt toch een glaasje water te hebben gedronken. We gaan in de kring zitten op volgorde van het aantal dingen. Mij valt op dat alle meisjes ongeveer naast elkaar zitten. Hebben ze wel goed geteld? We doen een namenronde waarbij ze niet het hele rijtje opnoemen maar 1 ding, en daarbij ook de kleur die het heeft. Dat roept de vraag op welke kleur water heeft. Wit, vindt iemand. Nee, blauw. Doorzichtig. Onzichtbaar. En ook bij thee noemt de een de kleur rood en de ander bruin of oranje. Dan de kleur van de cornflakes die Aisha gegeten heeft. Bruin, vindt ze. Ik wijs op de haren van Serhat en vraag ‘zo bruin’? Nee, anders. Hoe dan. We zoeken naar kleuren bruin die het benaderen.
Als ik in groep 4 binnenkom reageren de kinderen met opmerkingen als: 'Ben jij er weer, wat gaan we doen?' We praten over hoe lang geleden het is dat ik er was. 'Herinneren jullie je dat nog?' Het was 'vorige week', 'in augustus', 'voor de vakantie', denken de kinderen. Ze springen slordig met hun herinnering om. Zo komen we op kort en lang geleden. Hoe lang geleden is het dat je bent geboren? Vano weet dit goed te vertellen: 'Zeven jaar geleden, de dag dat ik geboren ben is mijn verjaardag.' 'Herinner je je nog iets wat je vijf jaar geleden deed, toen je dus twee of drie was?' De antwoorden op die vraag zijn moeilijker. Er worden vele dingen genoemd zoals plassen in je luier, stiekem koekjes pakken etcetera. Van koekjes pikken komen we op stoute dingen doen en kattenkwaad uithalen. Uit de verhalen blijkt dat 'kattenkwaad uithalen' een beetje ouderwets begrip is en niet algemeen bekend bij de kinderen. Het verschil tussen lief en stout kennen ze beter. We schrijven twee rijen op het bord: kattenkwaad en stout. Het onderscheid tussen deze twee is voor de kinderen niet eenvoudig te maken, maar als we er over praten komen we stukje bij beetje bij een bruikbare definitie. Kattenkwaad is grappig, maar niet stout. Stout is dingen doen die niet mogen. Als ikzelf met voorbeelden uit mijn eigen jeugd kom, krijgen de kinderen een goed beeld van de toen heersende waarden en normen. De verhalen van de kinderen zijn gebaseerd op hun eigen normen over wat stout is. Ik maak een nieuw criterium voor wat wel of niet op het bord komt: gemene dingen komen er niet bij te staan. De kinderen zijn erg betrokken bij het onderzoeken van de verschillen, er is veel enthousiasme. Ze komen met veel voorbeelden.
In groep 5 lees ik een versje voor van Annie Schmidt over een burgemeester die niet tegen herrie kan. We praten over wat er allemaal niet meer mocht van de burgemeester. Adelaide zegt dat er geen auto’s en fietsen meer op straat mochten. Zeno vraagt zich af waar die dan naar toe moesten als ze niet meer op straat mochten. Ik zeg dat ik me dat ook afvraag. Azzedine denkt dat ze allemaal naar de garage moesten. Van auto’s kan ik me voorstellen dat die burgemeester er last van had, maar fietsen? Ik vraag me hardop af wat voor geluid fietsen eigenlijk maken, hoe je ze kan horen. Dat levert voorbeelden op als loszittende spatborden, krakende fietsen, bellen en dynamo’s. |
Een leerkracht die hardop denkt, laat de kinderen zien wat zich in zijn of haar hoofd afspeelt. En nodigt daarmee de kinderen uit om ook in het denkproces te stappen. Bij deze vorm van hardhop denken is het essentieel dat de leerkracht geen verborgen agenda heeft, in de zin van: weten waar de kinderen met hun denken uiteindelijk zouden moeten uitkomen. Want daarvoor kan beter de vorm van een instructie-les gekozen worden.
Hardop denken in taalrondes betekent, dat een leerkracht:
- goed luistert naar wat kinderen inbrengen
- probeert dit op te pakken en ze uit te dagen er nog verder over te denken
- goed wordt in het stellen van uitdagende vragen
- terughoudend is met het geven van eenduidige antwoorden
- zelf ook ingevingen volgt die kunnen leiden tot gezamenlijk nadenken over taal
- durft te experimenteren, met de zekerheid dat je op een doodlopende weg altijd weer kunt omkeren
Hardop denken in taalrondes is steeds gericht op het aan het denken zetten van de kinderen. Het is mooi als ze het gevoel krijgen, dat elke poging om een vraag te beantwoorden wordt gewaardeerd. En dat er vragen zijn waarop meer dan een antwoord mogelijk is. Dat is zeker in taalrondes en bijschrijfgesprekken vaak het geval. Daar wordt immers steeds gezocht naar de woorden die het beste passen bij een ervaring, of omgekeerd: naar ervaringen die het beste passen bij woorden. Dat is heel persoonlijk en er is dan ook altijd discussie over mogelijk. Hardop denken gaat dan vaak over wat woorden betekenen en hoe je iets nog preciezer kunt zeggen.
Als denkprocessen hardop verwoord worden, krijgen kinderen voorbeelden van hoe je kunt nadenken. Ze ontdekken dat nadenken niet alleen betekent: logisch redeneren, maar ook: associëren, hypothesen uittesten, iets uitproberen en weer verwerpen, vragen stellen, overwegen wat een ander zegt. Alle soorten kinderen zijn goed in nadenken. Een hardop denkende leerkracht helpt dat zichtbaar maken in de klas.