Iedereen kan leren schrijven

Kinderen stimuleren tot vertellen

Kinderen aan het denken zetten

We doen in groep 3 een rondje, waarin de kinderen iets kleins vertellen: een ding dat je ziet als je de deur opendoet. Ik probeer een beeld te krijgen van wat een kind ziet. Dus ik vraag aan Sacha hoe die schuur van hem er precies uitziet. Het is grappig om te zien hoe kinderen dan in hun gedachten teruggaan naar de plek en zich proberen te herinneren wat ze precies zagen. Mijn vragen scherpen hun observatievermogen en hun vermogen om observaties te verwoorden. Aurora vertelt dat ze de wind zag. We bespreken de vraag of je de wind kunt zien. ‘Voelen,’ zegt iemand. Ja, voelen kun je hem ook. Ik heb niet gelijk een oordeel over of je de wind kunt zien of niet. Ik probeer het gesprek tussen kinderen onderling te stimuleren. Mijn taak is vragen stellen. 'De wind kun je zien aan de bomen, die heen en weer gaan,' zegt iemand.

 

Ik leg in groep 6 alle dingen die ik bij me heb in de kring. Dan leg ik twee dingen bij elkaar, die ik bij elkaar vind horen. Ik kies expres niet iets voor de hand liggends, dus niet de postzegel en de envelop. Als ik dat zou doen denken de kinderen misschien dat er een logisch verband moet zijn. Het gaat mij niet om logische verbanden vandaag, maar om dingen die associatief bij elkaar horen. Ik leg de dobbelsteen en de kwartetkaart bij elkaar. Dan vraag ik wie er ook iets bij elkaar kan leggen. Een heleboel vingers. De postzegel (met een hand erop) en de pleister komen bij elkaar, het washandje en het tasje, het cassettebandje en het boekje. Niemand vertelt nog waarom het bij elkaar hoort.

Dan doen we: bij elkaar leggen en erbij vertellen. Er komen onverwachte combinaties. Jomme legt het papieren zakdoekje en de pleister bij elkaar ‘want je kan het allebei ergens op doen’. Gemma legt de strippenkaart en het tasje bij elkaar, want je kan de strippenkaart in het tasje bewaren. Het is spannend om te doen, iedereen is heel erg aan het denken.

Er zijn geen goede en foute antwoorden. Het valt me op, dat ook de zwakkere kinderen heel goed meedoen, ze hebben hun vinger omhoog en kunnen soms heel goed uitleggen, waarom iets bij elkaar hoort. De dobbelsteen en het blokje plakpapiertjes: als je met de dobbelsteen gooit en je hebt een punt kun je het hier opschrijven.

 

In groep 4 heb ik in een oud leren tasje een serie oude voorwerpen meegenomen. Ik laat het tasje zien en vraag of het oud is of nieuw. De kinderen vinden het oud. Ik vraag waaraan ze zien dat het oud is. Er zit een vlek op, er zitten kleine scheurtjes op, hij is versleten, het handvat is stuk. Abdel gebruikt het woord 'versleten', maar kent niet het woord handvat'. Hij wijst ernaar en zegt 'die dinges'.

Een voor een haal ik nu de voorwerpen uit het tasje en leg ze in het midden van de kring op de grond. Ik hoef niks te vragen, de kinderen zeggen bij elk voorwerp wat het is. Af en toe vraag ik bij een voorwerp waaraan je kan zien dat het oud is. De wekker vinden ze oud. Ik vraag waaraan ze dat zien. De kleur! Wat is daarmee? Die glimt. Als ik de uitgedroogde paprika laat zien reageren ze verbaasd. Ik geef hem door zodat iedereen hem heel goed kan bekijken. Ze vragen zich af wat het is, een paprika of een dadel? Als de paprika weer bij mij terug is vertel ik hoe die paprika bij mij thuis op de fruitschaal vanzelf is uitgedroogd.

Ik vraag een kind wat hij denkt dat het alleroudste is. Hij wijst de paprika aan. Die leg ik apart. Wat is er daarna het oudste volgens jou? Hij legt het tasje naast de paprika. Daarnaast het zwarte babyschoentje en het witte peuterschoentje. Ik vraag waarom hij denkt dat de paprika het oudste is, maar dat blijkt een te moeilijke vraag. Het begint onrustig te worden in de kring. Ik kies ervoor ze de volgorde van de voorwerpen te laten veranderen zonder te vragen naar hun gedachten daarbij. Ik wijs een ander kind aan en vraag wat er na het peuterschoentje komt. Steeds vraag ik een ander kind om een paar voorwerpen op volgorde van ouderdom erbij te leggen. Als alle voorwerpen in een nieuwe volgorde liggen, vraag ik wie er iets wil veranderen. Wie vindt dat er iets niet op de goede plek ligt? Een paar kinderen leggen een voorwerp op een andere plek. Ik benoem steeds hardop wat zij doen: 'kijk, zij legt de schelp tussen het vorkje en het bakje', 'zij vindt de schelp ouder dan het vorkje'. Soms legt een kind een duidelijk ouder voorwerp tussen twee duidelijk nieuwere voorwerpen. Ik check na of hij dat bedoelt door te zeggen wat hij doet: 'je legt het tasje naast de afstandsbediening, jij vindt dat het tasje nieuwer is dan de afstandsbediening.' Als dat toch niet de bedoeling is legt hij het tasje op een andere plek.

 

Othman in groep 5 stelt net als de vorige week weer veel en goede vragen. Ali en Achmed letten eerst niet op, maar beginnen opeens ook vragen te stellen.

Achmed vraagt aan Savitri: 'Hoe wist die man wie jouw moeder was?'

Savitri: 'Ik had hem verteld hoe mijn moeder er uitzag.'

Ali vraagt aan Dikra: 'Hoe gingen jullie naar Turkije?'

Ali heeft in de kring heel veel moeite met het duidelijk onder woorden brengen van zijn ervaring. Het is nodig om heel goed door te vragen. Als ik denk dat ik hem begrijp, verwoord ik zijn verhaal en vraag ik hem of dat klopt. Bij Souhaila duurt het ook een tijd voordat we begrijpen wat ze bedoelt.

Uit de teksten blijkt dat veel kinderen moeite hebben met het ordenen van hun gedachten. Het is een enorme brei van woorden op papier waar geen logische lijn of chronologische volgorde in te zien valt. Het verwoorden van ervaringen, zowel mondeling als schriftelijk helpt hen bij het ordenen van de chaos in hun hoofd.

 

Het eerste rondje in groep 8 gebruik ik om vast aan woorden te denken. Ik vraag een woord te noemen dat je vanmorgen gehoord hebt of gelezen. Iemand die iets zei, iets op de televisie, een woord op een bord in de bus, etcetera. Sommige kinderen gaan lang denken, dan sla ik ze even over. Ook hebben we het er even over of 'miauw' van de poes een woord is. We besluiten van wel. Dan mag het blaffen van een hond ook. Maar wat zei die hond precies? 'Hij blafte gewoon', zegt Fatih. Ik vraag of hij ook 'blaf' zei. Dat zegt een hond niet, vinden sommige kinderen, maar hij zegt 'woef' of 'waf'. Dus dat is dan het woord wat Fatih hoorde. De eenvoudige vraag bij deze ronde leidt nog tot aardig wat denkwerk. Je moet tegelijk terugdenken aan wat er vanochtend gebeurde, en bedenken wat daarvan 'woorden' zijn. Hetty vraag of het ook twee woorden mogen zijn. De deurmat zei 'Merry Christmas' tegen haar. Dat hoort bij elkaar, dat mag wel, vind ik.

Dit is het soort denken dat ik bij taalvorming wil stimuleren bij kinderen. Ik geef een opdracht die ze aan het denken zet, die ze aanzet om hun ervaringen na te gaan en die tegelijk hun vertrouwen in eigen ideeën en oplossingen versterkt. Ik stel vaak vragen naar wat ze zelf denken of vinden.

Leren kinderen wel goed nadenken op school? Je zou zeggen van wel. Toch leidt de instructiegerichte manier van lesgeven vaak tot voornamelijk oefenen en reproduceren. Zeker bij taal, waar kinderen veel tijd besteden aan woorden invullen en meerkeuzevragen beantwoorden. Ze hoeven er maar een heel klein beetje bij na te denken, en dan vooral over het voorafgaande lesje.

Het precies verwoorden van ervaringen en observaties bij taalvorming zet kinderen aan het denken op twee gebieden: over de wereld om ze heen, en over taal. Een leerkracht stelt bij taalvorming vragen waarop meer dan een antwoord mogelijk is, waarbij het voorstellingsvermogen wordt aangesproken en waarbij naar woorden gezocht moet worden. Je hebt die hond wel gezien, maar hoe zag het er nu precies uit wat hij deed? Wat was er nu precies lief aan dat konijntje, en wat betekent lief eigenlijk? Je moeder was boos, maar waaraan kon je dat merken? Terwijl je gewoon begint bij iets dat gebeurde, kan je in gesprekken terechtkomen op filosofische bespiegelingen of taalbeschouwelijke discussies. Dat kan met alle kinderen, en bijna alle kinderen vinden het boeiend. Het scherpt tegelijkertijd hun taal- en denkvermogen.