Iedereen kan leren schrijven

Kinderen stimuleren tot vertellen

Kinderen leren om preciezer te verwoorden

In groep 6 liggen in het midden van de kring verschillende voorwerpen die ik heb meegenomen en voorwerpen die de kinderen zelf bij zich hebben. Ik vraag de kinderen om een voorwerp te kiezen dat hen doet denken aan een plek waar ze weleens zijn geweest en die plek op te schrijven. Het is nodig om meer uit te leggen wat ik met 'plek' bedoel. Ik bedoel een plek waar ze zelf geweest zijn. Als voorbeeld zeg ik bij mijn treinkaartje: niet zomaar 'de trein', maar: 'de trein van Utrecht naar Amsterdam waar ik zondag in zat'. Zeg ook niet alleen 'mijn huis', maar preciezer: 'de badkamer' of 'de gang'. Ze beginnen aarzelend, Guillermo naast me heeft een labello-lippenstift en zegt dat hij dat niet heeft en dus niets weet. Ik zeg dat hij misschien toch aan een plek moet denken, aan een winkel bijvoorbeeld. 'De drogist', zegt hij. 'Welke drogist', vraag ik. 'Het Kruidvat', zegt hij. Andere kinderen zeggen dat ze daar ook wel komen. Ik zie dat er een beeld van de winkel bij Guillermo ontstaat.. Moreno begint meteen een verhaal op te schrijven, ik stop hem en herhaal dat hij alleen een plek hoeft op te schrijven. Hij zegt dat hij viel met de fiets. Ik vraag waar dat gebeurde. Het lijkt of het hem moeite kost om de plek te omschrijven. 'In de straat', zegt hij tenslotte. Welke straat en waar precies in de straat, dat is weer moeilijk. Hij noemt de naam van de straat waar hij woont. Ik zeg: 'schrijf maar bovenaan je blaadje: in mijn straat'.

Omdat het niet voor iedereen makkelijk is besluit ik een voorleesrondje van alle plekken te houden. Bij elke plek kijken we of het duidelijk genoeg is. 'De zee', van Wesly, is niet zo duidelijk. Welke zee? 'Het strand'. Welk strand? 'Bij Bakkum.' Dat is duidelijk. 'In de kamer' is ook niet duidelijk genoeg. Boris bedoelt: in mijn kamer. Ilse heeft: de voorraadkast. Ikram heeft: 'een bos'. Dat bos blijkt ook bij Bakkum te zijn, ze zijn er met de klas geweest. Fenwick heeft: het AMC. Maar het AMC is verschrikkelijk groot, waar was het precies? 'Op de kraamafdeling', zegt hij. En waar dan op de kraamafdeling? 'Bij de couveuses,' zegt hij. Dat kan hij bovenaan de bladzijde schrijven: 'bij de couveuses'. Zo lopen we de hele kring rond. Dit preciseren van de plek is belangrijk omdat ik hierna wil dat ze zich inleven in de sfeer van de plek, ze moeten dus heel precies weten waar het was.

Taalontwikkeling betekent eigenlijk: leren steeds preciezer en doelgerichter onder woorden te brengen wat je bedoelt, in allerlei situaties. Hoe ouder je wordt, des te meer woorden en manieren van uitdrukken je je eigen maakt. Het gaat in twee richtingen: de richting van meer verfijning (meer woorden voor details) en de richting van meer abstractie (meer samenvattende begrippen). Een peuter begint met alle honden aan te duiden als 'Bobbie', omdat zijn eigen hond zo heet. Daarna wordt het woord 'hond' op alle honden toegepast. Nog later veranderen die honden niet alleen in poedels, herders, boksers en teckels, maar ook in 'zoogdieren'. Op de basisschool draait het taalonderwijs om die ontwikkeling.

Werken met taalrondes draagt daaraan bij door het vragen naar zorgvuldige beschrijvingen. Alle kinderen kunnen op hun eigen niveau preciezer worden in hun taalgebruik. Wanneer gaat iemand preciezer vertellen? Als het ergens voor nodig is. Bijvoorbeeld als je je moeder heel precies moet uitleggen waar ze precies de auto met afstandsbediening kan vinden die je het liefste voor je verjaardag wilt hebben. Maar ook: als iemand heel graag wil weten hoe iets bij jou precies ging, en daarnaar vraagt.

Vaak zijn kinderen niet gewend aan een dergelijke belangstelling van anderen. Van volwassenen al helemaal niet. En daardoor blijven ze bij het vertellen vaak hangen in algemene termen: iets is 'stom', 'leuk' of 'gewoon', iets gebeurde 'in Suriname' of 'in de stad', ze gingen 'spelen', 'vechten' of 'eten'. En that's it.

Een leerkracht kan bij taalvorming kinderen een motief geven voor het preciezer worden met taal. Eenvoudig door nieuwsgierig te zijn en goede vragen te stellen. Omdat het over echte eigen ervaringen gaat, hoeft een kind nooit bang te zijn het niet te weten. Het enige probleem wordt: of het de nodige taal kan vinden. Maar daarbij kunnen leerkracht en andere kinderen helpen.