Kinderen stimuleren tot vertellen
- Blokkades tijdens taalrondes
- Communicatie ondersteunen
- Hoe je een vraag stelt maakt uit
- Waarom-vragen zijn moeilijk
- Doorvragen op het vertelde
- Helpen inzoomen op details
- Het spoor volgen
- Leren luisteren
- Preciezer leren verwoorden
- Goede vragen leren stellen
- Tot denken zetten
- Hardop denken in een groep
- Feiten/meningen in taalrondes
- Tweetalgesprekken
- Taalontwikkelende gespreken
Feiten en meningen in taalrondes
| We zitten in groep 7 in de kring. Alle kinderen krijgen een kopie van de tekst van Denny. Tijdens het uitdelen praten de kinderen al uitgebreid over de tekst. Denny leest hem voor terwijl iedereen mee leest. De tekst gaat over het werk van zijn vader bij Delta Lloyd. Ik vraag wie er aan Denny iets wil vragen over zijn tekst: 'Iets wat je niet snapt of waar je wat meer over wilt weten.' Coskun vraagt wat Delta Lloyd voor een zaak is. Denny vertelt: 'Ze moeten brieven invullen en ze maken enveloppen. Mijn vader is een soort directeur, niet echt. Hij mag zelf kopieën maken.' Salora vraagt wat Denny moeilijk vindt aan het werk van zijn vader. Daar staat namelijk dat het moeilijk werk is. Denny: 'Hier moet je gewoon rekenen, daar moet je vijftig vragen in een uur beantwoorden.' Dit is aanleiding voor veel onderlinge discussie. Ik volg het niet allemaal, maar het gaat over moeilijke vragen aan grote mannen. Ik probeer ze aan het denken te krijgen over hoe je nu bepaalt wat moeilijk voor iemand is. We hebben het over het verschil in moeilijkheidsgraad van het rekenen in groep 7 voor kinderen van 10 jaar, en de moeilijkheidsgraad van die vijftig vragen voor volwassenen. Misschien is het wel even moeilijk. De kinderen blijven erbij dat vijftig vragen beantwoorden moeilijker is. Ik vraag wat nog meer moeilijk werk is voor volwassenen. Bagage dragen is moeilijk en in het ziekenhuis werken. Rekenen is niet moeilijk voor grote mensen want die weten toch alle antwoorden al. De juf heeft zelfs ook een antwoordenboek. Ik wijs de kinderen erop dat er in de tekst dingen staan die Denny vindt en dingen die echt zo zijn. wat je vindt is een mening, wat echt zo is, is een feit. Een feit kan je controleren. Ik vraag wie er in de tekst een mening en wie er een feit ziet. Ik maak een lijst op het bord van de meningen en de feiten die de kinderen ontdekken. Een feit is dat er van 9 tot 19 uur gewerkt wordt. Een mening is dat de collega vriendelijk is. Dat het gebouw groot is vinden de kinderen een feit want iedereen kan toch zien dat de Rembrandttoren groot is. Dat het gebouw mooi is vinden ze een mening.
Aan het eind van de les in groep 4 hebben we nog net even tijd om een tekst voor te lezen. Ik kies die van Abdenasser:
ik heb een keer een babykat geaaid. het voelde kriebelig maar het was wel leuk en ik kreeg de kriebels en de kat likt me wang zijn pooten waaren zacht weet je dat de kat de familie is van de tijger weet je dat de kat vis eet weet je dat de kat vacht heeft weet je dat de kat melk drinkt weet je dat de kat hoektanden heeft weet je dat de kat lief is weet je dat de kat slaapt weet je dat een kat mooi is.
Na elk weetje vraag ik aan de klas of ze dat wisten. Door elkaar reageren kinderen met ja of nee. Ik roep de vraag op of een kat altijd lief is en altijd mooi. Is dat echt waar wat Abdenasser daar schrijft of vindt hij dat? Ik laat de termen mening en feit vallen. Ik vraag nog eens of het echt altijd zo is dat alle katten lief zijn. Nazare zegt dat dat niet zo is, want hij is weleens gekrabd door een kat. |
Tekstbesprekingen in de bovenbouw kunnen aanleiding zijn voor allerlei taalbeschouwelijke en filosofische besprekingen. Tekstbesprekingen gaan over de bedoeling, de zeggingskracht en de waarde van een tekst. Hoe moeten we precies begrijpen wat hier staat? Dat is steeds de vraag waar de leerkracht en de kinderen samen over nadenken. Het is de taak van de leerkracht, aan te grijpen waar de kinderen mee komen en dat een stapje verder te brengen. Bijvoorbeeld door een uitdagende vraag te stellen die kinderen aan het denken zet. Het verschil weten tussen feiten, ervaringen, gevoelens, meningen en fantasieën is van groot belang voor allerlei levensgebieden. Het is cruciaal bij het bepalen wat de waarde van een tekst is of bij welke tekst-categorie hij ingedeeld kan worden - een belangrijk kerndoel van begrijpend lezen in de bovenbouw. Kinderen kunnen daar naar aanleiding van hun eigen teksten over leren nadenken, en doen dat daarbij over het algemeen met meer betrokkenheid dan bij de oefenteksten uit het taalboek. Nadenken over wat je zelf eigenlijk bedoelt, is meestal gemakkelijker en indringender dan nadenken over wat een onbekende schrijver bedoeld heeft. Dat je daar al aan kunt werken in groep 4 laat het tweede voorbeeld zien.