Iedereen kan leren schrijven

Kinderen stimuleren tot vertellen

Tweetalgesprekken

We maken in groep 7 een lijstje van dieren en een lijstje van gekleurde dingen die we vanmorgen buiten zagen. We kiezen er een uit en vertellen erover in tweetallen. Ik geef de kinderen nummer 1 of 2. De nummers 1 beginnen met vertellen. De nummers 2 luisteren en stellen vragen totdat ze een tekening zouden kunnen maken van het verhaal van nummer 1. Daarna wisselen. We kiezen een ander ding van ons lijstje en vertellen nu de andere kant op. Op deze manier vertelt iedereen aan twee verschillende kinderen. De eerste keer is om een beetje warm te lopen, de tweede keer ben je lekker op dreef.

 

Als ik in groep 5 tweetalgesprekken aankondig, komt er wat protest op hier en daar: sommige kinde­ren zijn naast iemand terechtgekomen die ze zelf nooit hadden gekozen en hebben geen zin om ermee te praten. Warda kijkt heel boos omdat ze tussen twee jongens zit. Ze praat niet. Ik praat met Abdelatif, die me vertelt hoe hij met zijn moeder in de tram werd gecontroleerd en zijn moeder haar strip­penkaart niet kon vinden, die hij toen in zijn zak had zitten. Als de tijd om is vraag ik onmiddellijk of iedereen opnieuw een voorwerp van de tafel in gedachten wil uitkiezen. Ze doen het onmiddellijk en zonder moeite lijkt het. 'Nu praat je naar je andere kant,' zeg ik en zie overal benen naar de andere kant draaien. Even afspreken wie begint met vertellen, en dan wordt er weer druk verteld. Ik wil net bij Warda gaan zitten om haar op gang te helpen, als ik zie hoe ze nu ineens toch praat tegen de jongen naast haar. Een tweede tweetalgesprek met iemand anders heeft voordelen: soms is het iemand met wie je liever of makkelijker praat, je krijgt de kans om even te wennen, om meer te praten en om alsnog een ander onderwerp te kiezen. De twee­talgesprekken gaan deze tweede keer heel goed.

Ik vraag altijd even hoe het tweetalgesprek ging: ‘Welke vraag kreeg je waardoor je beter kon vertellen? Welke vraag heb je gesteld waardoor je het verhaal van de ander beter begreep?’

 

In het tweetalgesprek in groep 5 merk ik dat je al vertellend op allerlei details of op iets nieuws komt. Serhat vertelt eerst  dat hij zijn handen ging wassen, daarna over dat ze aan tafel praten. Hij herinnert zich ineens een soort ruziegesprek tussen zijn vader en zijn broer. Zijn vader had zijn broer op zijn achterhoofd geslagen, waar hij net helemaal kaal was geknipt door de kapper. Dat deed pijn. Na het eten gingen ze in de kamer te vechten. Niet echt vechten, zegt Serhat. 'Stoeien?' vraag ik, maar dat woord kent hij niet. 'Dat is als je voor de grap vecht,' zeg ik.

 

In groep 4 laat ik Serina en Lydia een tweetalgesprek voordoen. De een vertelt en de ander stelt vragen. Daarna omwisselen. Ik ondersteun vooral het vragenstellen. Op deze manier krijgen de kinderen een voorbeeld van hoe je een goed tweetalgesprek kunt voeren.. Het probleem is dat kinderen vaak heel kort of algemeen vertellen in tweetalgesprekken. Ze kunnen helpen beter te vertellen door elkaar vragen te stellen., maar daarvan hebben ze voorbeelden nodig. We raken met de hele groep in een uitgebreid gesprek over het verhaal van Serina, over vissen met haar vader en een vis die de lijn doorbeet. Mij valt daarbij op dat dit door de kinderen zo interessant wordt gevonden dat er lang nieuwe aandacht voor is. Vervolgens vertrouw ik erop dat ze het in de tweetalgesprekken op dezelfde manier gaan doen. Ik benoem nog even de essentie: 'als je veel vragen stelt, gaat die ander ook veel beter vertellen.'

 

We doen tweetalgesprekken in groep 5, dat weten ze al. Het valt mij op dat er geanimeerd gepraat wordt, zelfs door Hou Ying en Jennifer. Marlon vertelt heel opgewonden een lang verhaal over appels plukken en een hond die ineens verscheen. Hij probeerde die weg te jagen door zijn fiets boven zijn hoofd te tillen. Het verhaal duurt langer dan de tweetalgesprektijd die ze van mij krijgen. Dat vind ik niet erg, omdat ze later de kans krijgen het nog op te schrijven. Omdat Anuschka en Consuella zo zitten te lachen, laat ik ze in de kring vertellen wat ze aan elkaar verteld hebben. Anuschka vertelt dat Consuella vertelde over het plukken van kokosnoten in Suriname en dat ze soms op iemands hoofd vallen. Als ik Consuella vraag of ze nog weet wat Anuschka vertelde, zegt ze eerst 'ik weet het niet meer,' maar komt er even later toch nog op door op Anuschka's lijstje te spieken.

Tweetalgesprekken komen in een taalronde meestal na een vertelronde met de hele groep. Een tweetalgesprek geeft iedereen de kans om nog even een eigen verhaal kwijt te kunnen in een veilige situatie. Het is prettig voor kinderen die in de kring nooit iets durven te zeggen, maar wel iets te vertellen hebben. Het is de oplossing voor een grote groep, waar de tijd ontbreekt om ieder kind in de kring aan het woord te laten. Ook is een tweetalgesprek een handig opstapje voor een daaropvolgende schrijfopdracht. Bij oudere kinderen vraag ik om precies op te schrijven wat ze in het tweetalgesprek ver­teld hebben. Dat is dan nog zo kort geleden dat iedereen meteen kan gaan schrijven. Bij de kleuters en groep drie geef ik een tekenopdracht. Meestal geef ik daarbij nog even aan wat ik graag op de tekening wil zien, bijvoorbeeld de plek waar iets was of gebeurde. Omdat ze er net over verteld hebben, weten ze dat meestal meteen.

Soms laat ik een of twee tweetallen in de kring navertellen wat de ander vertelde, om ze te laten voelen hoe goed ze eigenlijk geluisterd hebben, en ook om ze te leren het verhaal van iemand anders te reproduceren. De ander luistert dan gespannen of het wel klopt.
Soms doe ik twee tweetalgesprekken achter elkaar, als het lekker gaat. Dat geeft nog meer mogelijkheid om er al pratende achter te komen, waarover je straks gaat schrijven.
Soms doe ik zelf mee met tweetalgesprekken, en soms ga ik observeren hoe er gepraat wordt. In het eerste geval laat ik het gewoon mislopen waar het misloopt, en bespreek ik dat achteraf. In het tweede geval heb ik de mogelijkheid, stagnerende gesprekken weer op gang te helpen.

Als je regelmatig tweetalgesprekken laat doen, leren kinderen met elkaar praten over ervaringen. Ze leren dat dat leuk kan zijn, dat het soms moeilijk is en wat ze daaraan kunnen doen, dat iemand waarmee je nooit uit jezelf praat soms iets interessants te vertellen heeft, dat een ander kind je kan helpen om iets beter te vertellen. Tweetalgesprekken zijn daarmee anders dan informele gesprekjes op het speelplein of na schooltijd. De strenge structuur (verplichte partner, vaste praattijd, gegeven onderwerp) zorgt voor houvast.