Kinderen stimuleren tot vertellen
- Blokkades tijdens taalrondes
- Communicatie ondersteunen
- Hoe je een vraag stelt maakt uit
- Waarom-vragen zijn moeilijk
- Doorvragen op het vertelde
- Helpen inzoomen op details
- Het spoor volgen
- Leren luisteren
- Preciezer leren verwoorden
- Goede vragen leren stellen
- Tot denken zetten
- Hardop denken in een groep
- Feiten/meningen in taalrondes
- Tweetalgesprekken
- Taalontwikkelende gespreken
Taalontwikkelende gesprekken in taalrondes
| Ozlem heeft een mevrouw gezien. Ik stel vragen over het uiterlijk van die mevrouw. Het duurt even voordat Ozlem weet wat voor kleur haar die mevrouw had. Ik zeg: 'Zwart, zoals het haar van Somaya of donkerblond zoals het haar van Nickay?' 'Of wit,' roept een kind, 'of blond zoals Lesley?' Een ander roept: 'Of bruin.' Dan zegt Ozlem heel zacht: 'Lichtrood.' Ik haal uit mijn tas met spullen de stok als eerste tevoorschijn. Tim roept 'een stok', Mitchell roept 'een tak'. Meerdere kinderen roepen nu door elkaar tak en stok. 'Tja,' zeg ik, 'wat is het nu, een tak of een stok?' Weer geroep door elkaar. Ik vraag wat het verschil eigenlijk is tussen een tak en een stok. Nu valt het even stil tot het roepen weer begint. Ik stel de regel in van eerst je vinger opsteken omdat ik maar naar een kind tegelijk kan luisteren. Ik geef ook een beurt aan kinderen die niet hun vinger opsteken. Ik krijg verschillende definities te horen: een tak hangt aan een boom en een stok niet, een tak die gooi je weg zodat een hond hem kan ophalen en weer terug brengen, aan een tak zitten soms nog blaadjes, een tak heeft van die knobbeltjes zoals aan de tak die ik bij me heb. 'Dus dit is een tak en geen stok?' vraag ik. Nee, dat toch ook weer niet. Sommige kinderen vinden het een stok die ik bij me heb. Een stok die kan je ergens indoen zoals in een bezem. We bekijken even de stok van de bezem in de hoek van de klas. Roxanne maakt een horizontaal gebaar als ze over paaltjes vertelt. Ik vraag of die paaltjes zo (horizontaal gebaar) of zo (vertikaal gebaar) stonden. Roxanne wijst dat ze rechtop stonden. 'Oh ja, ik weet wat ze bedoelt', zegt Tomas, 'die paaltjes met drie kruisjes erop.' Ik teken een Amsterdammertje op het bord. Om zo’n paaltje blijkt het te gaan. Ik vraag wie weet hoe zo’n paaltje heet. 'Iets met Amsterdam ofzo,' zegt Roxanne. Ik schrijf het woord op het bord en constateer dat het een lang woord is. Abdelmalik vraagt hoeveel letters. We tellen ze hardop: vijftien. 'Ik heb tien', zegt Abdelmalik, zijn naam bedoelend. In de namenronde vertellen we bij onze naam de laatste winkel waar we geweest zijn. Hikmet zegt: 'Ik ben niet in een laatste winkel geweest.' Ik herhaal dat het om de laatste keer gaat dat je in een winkel was. Hij antwoordt niet. Ik vraag: 'Ben je gisteren in een winkel geweest?' Nee. 'Zaterdag?' Ja. 'Waar?' Dirk v/d Broek. Ik: 'Dus dat was misschien de laatste keer dat je in een winkel was.' Ortwin zegt dat hij in een restaurant is geweest. Ik vraag aan de klas of een restaurant ook een winkel is. 'Nee.' Ik vraag naar het verschil tussen een winkel en een restaurant. Rianne zegt dat je in allebei eten kan kopen. Melissa zegt dat je in een restaurant eten kan eten, maar in een winkel niet. David schrijft dat hij zijn tand, toen die los zat, eruit gooide. Ik probeer dat me voor te stellen. Ik doe voor hoe ik een tand uit mijn mond zou gooien en vraag aan David of hij dat ook deed. David schudt zijn hoofd. Hij weet niet onder woorden te brengen wat hij dan wel deed. Ik vraag of hij zijn tand eruit trok, terwijl ik het voordoe. David zegt: 'Nee, niet zo', en doet voor hoe hij zijn tand tussen twee vingers pakte. 'Oh, je hebt hem uit je mond gepakt,' zeg ik. We veranderen het woord 'gooien' in 'pakken'. Als ik Nora haar tekst heb voorgelezen, die eindigt met 'en toen ging het verder', vraagt Roxanne wat er dan verder ging. Nora zegt dat ze boodschappen ging doen. Ik stel voor dat ze dat opschrijft inplaats van dat het verder ging. Die zin snappen we namelijk niet. Naar aanleiding van Eda’s tekst over verstoppertje, zegt Abdullah dat hij niet snapt wat 'buut' is. Hij zegt dat het 'buurt' moet zijn. Ik vraag wie er ook 'buurt' zegt inplaats van 'buut'. Verschillende vingers. Ik vraag of Eda wil uitleggen wat 'ik buut' betekent. Ze kan dat niet. Ik lees haar tekst nog eens voor. Uit de context kan je opmaken wat ze bedoelt. Abdullah zegt dat hij wel snapt wat het betekent, maar dat het gewoon 'ik buurt' moet zijn. Ik schrijf 'buurt' op het bord en vraag welke buurt het hier is waar de kinderen wonen. Een paar kinderen zeggen hun straatnaam. Dat is je straat, maar hoe heten al die straten hier bij elkaar? 'Amsterdam', zegt een kind. Bobby zegt: 'Geuzenveld'. We besluiten met het definiëren van de woorden 'buurt' en 'buut'. |
Taalontwikkeling gebeurt als je:
- nadenkt over wat een woord betekent
- zoekt naar woorden die passen bij je ervaring of bedoeling
- het verschil nagaat tussen twee woorden
- echt probeert te begrijpen wat een ander bedoelt
- ontdekt dat je altijd een verkeerde betekenis in je hoofd had bij een woord
- iets verkeerd begrijpt en dat opheldert door er vragen over te stellen
- nieuwe woorden krijgt aangereikt en gebruikt
Tijdens taalrondes gebeuren dat soort dingen aan de lopende band, als kinderen en leerkracht in gesprek zijn over hun ervaringen. De interactie in de kring en tussen leerkracht en individuele kinderen is gericht op
- begrijpen wat een ander bedoelt
- nog beter verwoorden wat je zelf bedoelt
De kinderen zijn zich er niet van bewust dat ze aan taalontwikkeling doen. Voor hen gaat het gewoon om de inhoud van een gesprek. De leerkracht heeft taalontwikkeling als doel altijd in het achterhoofd, en dat bepaalt welke ingrepen hij doet, welke vragen hij stelt, wat hij uit de bijdragen van kinderen naar voren haalt. Het is als een bandje met twee sporen: een taal-spoor en een inhoud-spoor. In werkelijkheid vallen die sporen samen. De inhoud van wat je zegt staat immers niet los van de taal waarmee je dat doet. Maar voor een bewuste taaldidactiek is een onderscheid handig. Het maakt dat jij kunt besluiten om hardop met de kinderen te denken over het verschil tussen 'buurt' en 'buut', te praten over de onduidelijkheid van een zin in een tekst, of over nuanceringen in woorden die kleuren aanduiden. Je doet dat omdat je vindt dat het belangrijke taalaspecten zijn, waar de kinderen iets aan hebben. Intussen ervaren de kinderen vooral, dat ze elkaars vertelde ervaringen beter gaan begrijpen.