Kinderen stimuleren tot vertellen
- Blokkades tijdens taalrondes
- Communicatie ondersteunen
- Hoe je een vraag stelt maakt uit
- Waarom-vragen zijn moeilijk
- Doorvragen op het vertelde
- Helpen inzoomen op details
- Het spoor volgen
- Leren luisteren
- Preciezer leren verwoorden
- Goede vragen leren stellen
- Tot denken zetten
- Hardop denken in een groep
- Feiten/meningen in taalrondes
- Tweetalgesprekken
- Taalontwikkelende gespreken
Helpen inzoomen op details
In groep 7 praten we in de kring over weer op school zijn na de vakantie. Ik vraag of ze nog iets weten van de vakantie of dat het alweer helemaal is weggezakt. Nee, nee, roepen sommigen meteen, ze weten het nog heel goed. Ilkar vertelt over hoe hij zijn verjaardag vierde in Turkije. Dat weet hij nog precies. Burak vertelt daarna over de aardbeving in Turkije. Ik vraag of hij het zelf gevoeld heeft. 'Ja, maar heel licht,' zegt hij. Ik vraag door naar het moment dat hij iets voelde. Ik wil het precies voor me zien en navoelen. Hij vertelt iets onduidelijks over zijn zusje bij de deur. Ik vraag door. Al vertellend wordt duidelijk dat hij en zijn nichtje tv zaten te kijken, naar Turkse tekenfilmpjes, zijn nichtje met een kommetje soep in haar hand. En toen begon het ineens te trillen en Burak dacht eerst dat zijn zusje met de deur sloeg of wiebelde. Maar toen kwam zijn oom binnen en zei dat er een aardbeving was. Iedereen luistert aandachtig. Door mijn manier van doorvragen laat ik merken wat ik belangrijk vind bij vertellen: ik wil details horen en voor me zien hoe iets eruitzag of hoe iets precies ging. Als ik het nog niet voor me zie blijf ik doorvragen. Ik help kinderen door mijn vragen om terug te gaan naar een waarneming of gebeurtenis, en zich de details daarvan te herinneren. De verhalen worden er interessanter door. Dat vind ik niet alleen zelf, maar de kinderen ook gezien de aandacht voor de verhalen.
Ik spoor in groep 8 de kinderen aan een plek heel precies te benoemen. Dus niet: V&D, maar precies die plek van V&D die je voor ogen hebt. Mert moet hard nadenken, ik vraag hem welke afdeling of verdieping, meteen waar je binnenkomt, of met de roltrap omhoog? Na wat doorvragen beschrijft hij hoe je eerst langs de bakkerij moet en dan komen daar de handschoenen. Bij 'badkamer' vraag ik: waar in de badkamer? Bij 'kinderboerderij' blijkt dat er ook andere namen voor die plek zijn: speeltuin; fietsexamenplek. Hong Lou zegt met de krabbenschaar in zijn hand dat hij aan het strand denkt. 'Welk strand,' vraag ik. Hij kijkt een beetje paniekerig en zegt eerst 'weet ik niet' en dan: 'Zandvoort.' Ik vraag of hij kan beschrijven hoe dat strand eruit ziet. Dat weet hij niet meer. Ik krijg het idee dat hij er helemaal niet geweest is of misschien heel lang geleden. Daarom vraag ik of er een andere plek is waaraan hij denkt bij de krabbenschaar, die hij nog wel weet. Kinderen naast hem gaan helpen, iemand zegt: 'een restaurant.' Ik zie aan Hong Lou dat hij daardoor zich een plek herinnert. Zo zorg ik bij deze ronde dat iedereen een plek noemt die zij of hij ook echt voor zich kan zien. |
Een verhaal hoeft niet ‘volledig’ te zijn. Kinderen hebben vaak de neiging tot langdurig chronologisch vertellen, met hele lange inleidingen en hele lange naslepen - meestal moeten de luisteraars ervan gapen. Help een kind om 'in te zoomen' op een interessant detail van de ervaring. Dat kan een observatie van iets concreets zijn, zoals een voorwerp of een handeling. Het kan ook een belangrijk moment zijn uit een reeks gebeurtenissen. Je leidt kinderen terug in hun herinnering door alleen daarover vragen te stellen. Als het duidelijk geworden is, ga je naar de volgende verteller. In een kring over 'ziek zijn' vertelt Mahmut bijvoorbeeld over een adem-apparaatje dat hij moest gebruiken toen hij verkouden was. Er valt genoeg over dat apparaatje te vertellen, en hoe het allemaal precies afliep met zijn verkoudheid, dat hoeft niet per se in de kring verteld te worden. Soms is het even zoeken naar zo’n detail of aspect. Laat je leiden door wat je zelf interessant vindt of wat je merkt dat kinderen interessant vinden!
Lang, ‘volledig’ vertellen leidt tot even lange en-toen-en-toen-teksten als ze gaan schrijven. Het verdient aanbeveling om ook de schrijfopdrachten op details of aspecten van een ervaring te richten. Ook voor het bijschrijven bij tekeningen in groep 1 tot 3 geldt: focus op een interessant detail, vraag daarop door en schrijf niet alles op wat een kind vertelt.
In bovenbouwgroepen kan je bij tekstbesprekingen de vraag opwerpen, hoe uitgebreid of 'volledig' een tekst moet zijn, en welke redenen daarvoor aangevoerd kunnen worden. Is het noodzakelijk dat een lezer precies weet wie er allemaal bij een gebeurtenis aanwezig waren of hoe de voorgeschiedenis van een ervaring was? Moet je altijd vermelden hoe iets afliep? Hoe gedetailleerd kan je iets beschrijven en wat is het effect daarvan? Zulke gesprekken vallen onder taalbeschouwing en kunnen oudere kinderen helpen bij hun schrijf-ontwikkeling. Ook bij het schrijven van zakelijke en informatieve teksten hebben ze daar wat aan.