Iedereen kan leren schrijven

Kinderen stimuleren tot vertellen

Een waarom-vraag is vaak moeilijk

Juf Tessa begint in groep vijf met een snel rondje. Ze vraagt iedereen om een zin te zeggen die begint met ‘ik hou van fietsen omdat ...' Dit is niet echt makkelijk, merk ik, veel kinderen moeten even piekeren, zodat het rondje af en toe stokt. Dit komt wellicht doordat de zin een aantal dingen vooronderstelt die niet voor alle kinderen gelden, namelijk: 1) dat ze een fiets hebben of wel eens fietsen, en 2) dat ze van fietsen houden. Bovendien vraagt de zin impliciet naar een verklaring: je moet meteen kunnen zeggen waarom je van fietsen houdt. Dat alles bij elkaar maakt het moeilijk voor kinderen die het niet zo snel weten en die zich ook niet snel ergens uit kunnen redden. Bryan zegt gewoon: 'Omdat ik het leuk vind’. Iemand anders zegt ‘omdat ik sneller ben’. Marya zegt eerlijk: ‘ik hou niet van fietsen, omdat ik moe word’. Zij heeft dus eerlijk over de vraag nagedacht en verandert daarom de zin. Hierna volgen: ‘omdat ik er hard op kan rijden’, ‘omdat ik die dingen eraan leuk vind (trappers)’, ‘omdat ik rondjes kan maken’, ‘omdat ik kan bellen’. Het valt me op dat veel kinderen toch wel iets weten te bedenken. Een aantal kinderen zegt ‘ik heb geen fiets’. Als Tessa bij hen doorvraagt volgt meestal wel een verhaal waaruit blijkt dat ze toch wel eens iets met fietsen doen, of ze zeggen dat ze er een gaan krijgen. Louca, die altijd makkelijk op heel specifieke ervaringen komt, zegt: ‘omdat ik ergens naar toe ga rijden waar paarden zijn’. Later blijkt dat hij daarover ook zijn tekst heeft geschreven. Raymond weet echt niet wat hij moet zeggen. Tessa vraagt of hij een fiets heeft; dat heeft hij. Ze stelt hem een heleboel vragen over hoe hij daarop fietst, hij geeft antwoord, maar de vraag waarom hij ervan houdt kan hij niet beantwoorden.

Een waarom-vraag vraagt naar een verklaring of uitleg. Waarom vind je iets leuk of niet leuk, mooi of niet mooi? Waarom deed je iets? Waarom deed iemand anders iets? Waarom gebeurde iets juist op die manier? Waarom heb je iets gekozen of verworpen? Om zulke vragen te kunnen beantwoorden heb je kennis en inzicht nodig. Kennis van allerlei oorzaak-gevolg-relaties. Inzicht in je eigen gevoelens en motieven, en de gevoelens en motieven van anderen. Zeker kinderen hebben dergelijke inzichten niet zomaar paraat. Op een waarom-vraag weten ze vaak niet zo gauw een antwoord.

Een wat- of hoe-vraag is vaak gemakkelijker te beantwoorden. Die vragen vereisen vooral observatievermogen, en dat hebben kinderen als de beste. 'Wat vond je mooi aan die auto?' is voor hen makkelijker te beantwoorden dan 'waarom vond je die auto mooi?' 'Waarom gaf je zusje jou een klap?' is moeilijker dan 'hoe gaf ze je die klap precies?' Van een waarom-vraag kan je het gevoel krijgen dat er één juist antwoord moet zijn. Kinderen zijn er bovendien aan gewend dat de leerkracht dat juiste antwoord al weet. Bij een wat- of hoe-vraag komt er ruimte voor verschillende, persoonlijke observaties.

Omdat taalrondes gericht zijn op het verwoorden van ervaringen, worden waarom-vragen vermeden en wat- en hoe-vragen veel gesteld. Ook wordt vaker gevraagd naar iets concreets dan naar een gevoel, mening of verklaring. Dat betekent niet dat in een taalronde nooit gevoelens, meningen of verklaringen aan de orde komen. Het betekent alleen, dat je oplet of je vragen voor kinderen wel beantwoordbaar zijn, en dat je nagaat waar dat aan ligt.

Samen met kinderen hardop denken over wat je voelt, wat je ergens van vindt of hoe iets eigenlijk komt, kan veel opbrengen - mits kinderen expliciet de ruimte krijgen om zulke vragen te onderzoeken en daarbij geholpen worden. Dan kunnen ze ontdekken dat je vaak niet weet waarom je eigenlijk iets gedaan hebt, dat je meerdere motieven kunt hebben voor iets wat je doet, dat smaak en gevoel niet vallen uit te leggen, dat een mening soms berust op iets wat je niet zeker weet.