Kinderen stimuleren tot vertellen
- Blokkades tijdens taalrondes
- Communicatie ondersteunen
- Hoe je een vraag stelt maakt uit
- Waarom-vragen zijn moeilijk
- Doorvragen op het vertelde
- Helpen inzoomen op details
- Het spoor volgen
- Leren luisteren
- Preciezer leren verwoorden
- Goede vragen leren stellen
- Tot denken zetten
- Hardop denken in een groep
- Feiten/meningen in taalrondes
- Tweetalgesprekken
- Taalontwikkelende gespreken
Het maakt uit hoe je een vraag stelt
In groep 3 vraagt meester Hans: 'Waar kun je je goed verstoppen, wie weet dat?' Een heleboel kinderen gaan om zich heen kijken in de klas. Ze nemen de vraag heel letterlijk en noemen de plek naast de kast van de poppenhoek, achter de gordijnen of onder de zandtafel. Hans stelt de vraag vrij algemeen. Hij had ook kunnen vragen: 'Wie weet nog een keer dat je je op een goed plekje had verstopt?' Dan waren er vanaf het begin verhalen verteld over allerlei plekjes, binnen, buiten en thuis. Die verhalen komen nu later. In de vertelronde komen er veel reacties op een kind dat zich in de kast verstopte. Walide windt zich erover op en zegt dat je dan kan stikken. Dat levert een goed deelonderwerp. Op de vraag ‘wie heeft zich wel eens in een kast verstopt?’ komen vele vingers.
Juf Maria wil met de kleuters over boodschappen doen praten. Ze laat een reclameboekje van Dirk van de Broek zien en vraagt: 'wie kan mij vertellen wat dat zijn?' Drie slimme kleuters weten dat helder te verwoorden: 'Dat is een boodschappenboekje, daarin kan je zien hoeveel centjes iets kost, er staan ook dingen in die in de reclame zijn.' De juf zegt dat ze het heel goed hebben gezegd en dat ze dat heel knap vindt. De juf gaat door met vragen over boodschappen doen. 'Waar doe je boodschappen, hoe heet zo’n winkel?' Een meisje steekt haar vinger op en zegt: 'Dirk van de Broek.' Maar dat is niet wat de juf wil horen. Een jongetje probeert het met Albert Heyn. Ook niet goed. 'Super…..', zegt de juf. De kinderen kijken haar niet begrijpend aan. 'Markt,' vult de juf zelf aan. 'Wat koop je allemaal in de supermarkt?' is de volgende vraag. De kinderen noemen allerlei producten, maar er komt niet een verhaal over een eigen ervaring. Dat heeft te maken met de tegenwoordige tijd waarin de vraag gesteld is. Als de juf gevraagd had: 'Wat heb jij gekocht in de supermarkt?' dan hadden de kinderen zich uitgenodigd gevoeld om te vertellen hoe ze zelf naar de supermarkt gingen. Als de juf haar boodschappentas laat zien en vertelt dat ze die altijd meeneemt als ze boodschappen gaat doen en dat er in die tas altijd een plastic Albert Heyntas zit, gaan er spontaan vingers omhoog: 'Zo’n tas heb ik ook!' Nu vraagt de juf wel naar ervaringen: 'waar ging je naar toe met die tas?' 'Welke boodschappen had je gekocht?' 'Kon je ze wel tillen?' Er zijn nu veel meer kinderen die het gesprek volgen. Hun blikken zijn allemaal gericht op het kind dat vertelt, en minder op de juf.
In een vertelronde over voorwerpen, in groep 5, begint een aantal kinderen zo: 'Met deze...' en dan volgt wat ze met een voorwerp doen. Ze benoemen het voorwerp niet. Ik vraag hoe zij het noemen, wat voor woord zij daarvoor hebben. Ik vraag ook regelmatig: 'Wie noemt dat anders?' Op die manier komen er verschillende woorden naar voren voor hetzelfde voorwerp: ramenlapper, ramenwasser, ruitenwasser, ramenwisser. Ik voeg vaak het officiële woord eraan toe, met de opmerking dat het zo vaak genoemd wordt. Ik vraag niet: 'Wat kan je ermee doen' of 'Waar gebruik je dit voor', maar: 'Wat doe jij ermee'. De eerste twee vragen zijn algemeen en nodigen uit tot nadenken over het gewenste antwoord. De derde vraag is persoonlijk en stimuleert om stil te staan bij een eigen ervaring. Er komen daardoor verrassende en gevarieerde antwoorden. Met een nagelborsteltje worden bijvoorbeeld niet alleen nagels schoongemaakt, maar ook handen en kleren. Met een vaatdoekje worden aan tafel handen afgeveegd na het eten. |
Waar je naar vraagt, dat krijg je. Dat is bijna een wet in de klas. Kinderen luisteren meestal heel goed naar wat de juf of meester van ze vraagt, en ze stemmen hun antwoord daarop af. Op een algemene vraag komt een algemeen antwoord, op een vage vraag een vaag antwoord (of opgetrokken wenkbrauwen), op een persoonlijke vraag een persoonlijk antwoord.
Taalrondes zijn primair gericht op het verwoorden van eigen ervaringen. In een taalronde vraag je in de eerste plaats naar ervaringen en niet naar kennis. 'Wie weet er iets dat geluk brengt?' is een vraag naar kennis. 'Wie heeft er iets dat geluk brengt?' is een ervaringsvraag. Vragen die beginnen met 'ik ben benieuwd wie..' , 'wie heeft wel eens mee gemaakt dat ..' en 'wie heeft dat ook' nodigen kinderen uit om te vertellen. Vragen naar zintuiglijke waarnemingen helpen kinderen bij het concreet en precies vertellen. Naast dat soort vragen kan je doorvragen naar hoe een gebeurtenis precies verliep.
Vragen naar wat je van iets weet, staan in een taalronde niet op de voorgrond. Die leiden gemakkelijk tot competitie en gerichtheid op de leerkracht, inplaats van tot ruimte voor iedereen en communicatie tussen alle groepsleden.
Hoe kan je goed worden in vraagstellingen die alle kinderen uitdagen om over ervaringen te vertellen? Vooral door je bewust te zijn van hoe je je vraag formuleert. Daarbij gaat het niet om de Enig Juiste Vraag, maar om zoeken naar vragen die leiden tot waar je op uit bent. Je probeert gewoon uit hoe een vraag werkt en als hij niet werkt probeer je een andere. Steeds een iets andere formulering gebruiken, maakt bovendien de kans groter dat meerdere kinderen erop zullen inhaken.
Ook als je bijschrijft bij taaltekeningen van kleuters, luistert de vraagstelling nauw. De vraag 'Wat zullen we erbij schrijven?' leidt er gemakkelijk toe dat kinderen ellenlange verhalen vertellen die niet altijd even ter zake doen. Je kunt je vragen concreet maken en toespitsen op iets in de tekening. Bijvoorbeeld door te beginnen met: 'Vertel eens, wat gebeurt er hier in jouw tekening, wat ben jij hier aan het doen?' Je kunt ook beginnen met benoemen wat jij op de tekening ziet: 'Daar zie ik iemand op zijn fiets en er zit ook iemand achterop.' Vervolgens stel je vragen over de ervaring achter de tekening.
Een aandachtspunt is: niet te veel je eigen associaties volgen en zelf aan het woord zijn. In een taalronde probeer je erachter te komen wat de kinderen voor ervaringen hebben en wat ze bedoelen als ze iets vertellen. Maak gebruik van je voorstellingsvermogen bij het stellen van vragen. Vraag door tot je wat een kind vertelt voor je ziet. Een moeilijk formulerend kind kan je ook helpen door te herhalen wat je denkt dat hij bedoelt, en na te vragen of dat klopt.