Hoofdstuk 4
De praktijkschets
Juf Anneke stelt aan Britt een ander type vragen dan aan Milan. Er is een verschil in de interactie die zij bij beide kinderen uitlokt. De beurten van Milan zijn langer en vollediger dan die van Britt. Hier werken we deze les uit.
Uitwerking les
- Juf: ‘Britt, wat is dit?’ (Juf wijst een slee aan.)
- Britt: ‘Slee.’
- Juf: ‘Ja, heel goed, een slee. En dit?’ (Juf wijst een sneeuwpop aan.)
- Britt: ‘Een sneeuwpop.’
- Juf: ‘Ja! En wat denken jullie dat deze kinderen aan het doen zijn?’ (Juf wijst een groepje kinderen
- aan.) ‘Milan?’
- Milan: ‘Ze zijn aan het spelen op het ijs met stokken. ’
- Juf: ‘Ze lijken wel te slaan op het ijs. En wat zou er kunnen gebeuren als ze te hard op het ijs slaan?’
- Milan: ‘Dan gaat het ijs stuk en zakken ze erin.’
- Juf: ‘Waar zakken ze dan door? Door het ijs. Heel goed, Milan.’
De juf stelt aan Britt een andere type vragen dan aan Milan. Britt geeft een woord als antwoord en het lijkt erop dat de juf veronderstelt dat ze niet meer kan. Ze blijft bij Britt bij het benoemen van wat er op de praatplaat staat. Het kan natuurlijk dat Britt nog maar pas Nederlands begint te praten en de juf haar niet te veel wil belasten. Dan kiest ze voor deze vragen.
De juf stelt vervolgens een langere vraag en geeft Milan de beurt, die in een zin antwoordt. Mooi is dat de juf niet het antwoord van Milan herhaalt, maar verder gaat op wat hij zegt.
Het is mogelijk dat de juf zich hier laat beïnvloeden door de antwoorden van de leerlingen bij het stellen van een volgende vraag, maar het is ook mogelijk dat de juf precies weet wat de leerlingen aankunnen en zich daaraan aanpast.
Wat is jouw mening hierover?