Hoofdstuk 4
Open vragen
We onderscheiden bij open vragen convergente, divergente en evaluerende open vragen, en dit onderscheid kan de leerkracht houvast bieden bij het voorbereiden van gesprekken. Hier vind je voorbeelden van deze drie soorten open vragen.
Bij open vragen staat het goede antwoord of de goede oplossing niet bij voorbaat vast en zijn er antwoorden mogelijk die de leerkracht vooraf niet had voorzien. Dat maakt open vragen geschikt om leerlingen denkruimte te geven en hen te stimuleren tot productief denken en creativiteit. Ook als het gaat om het stimuleren denkprocessen of om opinies, waardeoordelen en gevoelens verdient het aanbeveling open vragen te stellen.
We onderscheiden bij open vragen convergente, divergente en evaluerende open vragen. Dit onderscheid kan de leerkracht houvast bieden bij het voorbereiden van gesprekken.
Convergente vragen zijn vragen die zodanig worden voorgestructureerd dat ze uitmonden (‘convergeren’ oftewel samenkomen) in het juiste antwoord. Met dat doel zijn de vragen zo geformuleerd dat ze:
- een beroep doen op aanwezige kennis en inzichten;
- vaardigheden vereisen als analyse en integratie van gegevens;
- interesse wekken en aanzetten tot denken.
Het denken wordt via de vragen gericht op het vinden van een vooraf vaststaande oplossing of op het meest passende antwoord. Convergente vragen leiden dus wel tot één voorspelbaar antwoord, en het antwoord kan dus beoordeeld worden als goed of fout. Voorbeelden zijn:
- Zeg eens in één zin waar het verhaal over gaat.
- Wat is het verschil tussen voorlezen en vertellen?
- Waarom groeien planten naar het licht?
Bij divergente vragen moet de leerling creatief denken en zelf formuleren. De informatie is niet afkomstig van de leerkracht en het antwoord is niet direct voorspelbaar, omdat er ook meer goede antwoorden mogelijk zijn. Voorbeelden zijn:
- Hoe kan het kappen van de regenwouden gestopt worden?
- Wat zou er gebeuren als er geen zwaartekracht was?
Bij evaluerende vragen wordt naar een beoordeling, keuze of voorkeur gevraagd. Het antwoord is niet voorspelbaar en de antwoorden zijn niet te beoordelen als goed of fout. Voorbeelden zijn:
- Wat vind jij van deze presentatie?
- Waarom ga jij zo graag naar een pretpark?